Deuteronomium 33:15

Statenvertaling (States Bible)

En van het voornaamste der oude bergen, en van het uitnemendste der eeuwige heuvelen;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Hab 3:6 : 6 Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de heidenen los, en de gedurige bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen der eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen der eeuw zijn Zijne.
  • Gen 49:26 : 26 De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op den hoofdschedel des afgezonderden zijner broederen!
  • Jak 5:7 : 7 Zo zijt dan lankmoedig, broeders, tot de toekomst des Heeren. Ziet, de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en spaden regen zal hebben ontvangen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 86%

    13En van Jozef zeide hij: Zijn land zij gezegend van den HEERE, van het uitnemendste des hemels, van den dauw, en van de diepte, die beneden is liggende;

    14En van de uitnemendste inkomsten der zon, en van de uitnemendste voortzetting der maan;

  • 16En van het uitnemendste der aarde en haar volheid, en van de goedgunstigheid Desgenen, Die in het braambos woonde, kome de zegening op het hoofd van Jozef, en op den schedel des afgezonderden van zijn broederen!

  • Jes 2:14-15
    2 verzen
    76%

    14En tegen alle hoge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen;

    15En tegen allen hogen toren, en tegen allen vasten muur;

  • 9Gij bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen!

  • Gen 49:25-26
    2 verzen
    74%

    25Van uws vaders God, Die u zal helpen, en van den Almachtige, Die u zal zegenen, met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen des afgronds, die daaronder ligt, met zegeningen der borsten en der baarmoeder!

    26De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op den hoofdschedel des afgezonderden zijner broederen!

  • 3Ik zal Mijn berg met het veld, uw vermogen en al uw schatten ten roof geven, mitsgaders uw hoogten, om de zonde in al uw landpalen.

  • 13Hij deed hem rijden op de hoogten der aarde, dat hij at de inkomsten des velds; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit den kei der rots;

  • 16Die zal in de hoogten wonen, de sterkten der steenrotsen zullen zijn hoog vertrek zijn; zijn brood wordt hem gegeven, zijn wateren zijn gewis.

  • Ps 68:15-16
    2 verzen
    71%

    15Als de Almachtige de koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit als op Zalmon.

    16De berg Basan is een berg Gods; de berg Basan is een bultige berg.

  • 6Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.

  • 18De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.

  • 3De bergen zullen den volke vrede dragen, ook de heuvelen, met gerechtigheid.

  • 13Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.

  • 9Een land, waarin gij brood zonder schaarsheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, welks stenen ijzer zijn, en uit welks bergen gij koper uithouwen zult.

  • 7Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten;

  • 16Is er een hand vol koren in het land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde.

  • 4Aldaar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van den boog, het schild, en het zwaard, en den krijg. Sela.

  • 11Zegen, HEERE! zijn vermogen, en laat U het werk zijner handen wel bevallen; versla de lenden dergenen, die tegen hem opstaan en hem haten, dat zij niet weder opstaan!

  • 4In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;

  • 19Zij zullen de volken tot den berg roepen; daar zullen zij offeranden der gerechtigheid offeren; want zij zullen den overvloed der zeeen zuigen, en de bedekte verborgen dingen des zands.

  • 25Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden.

  • 15Gijlieden zijt den HEERE gezegend, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.

  • 6Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de heidenen los, en de gedurige bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen der eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen der eeuw zijn Zijne.

  • Job 28:9-10
    2 verzen
    70%

    9Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om.

    10In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke.

  • 3Het is gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion, want de HEERE gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheid.

  • 20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?

  • 21Gaande in de reten der rotsen en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken.

  • 28Zo geve u dan God van de dauw des hemels, en de vettigheid der aarde, en menigte van tarwe en most.

  • 6Gij bergen, dat gij opsprongt als rammen? gij heuvelen! als lammeren?

  • 5De bergen smelten als was voor het aanschijn des HEEREN, voor het aanschijn des HEEREN der ganse aarde.

  • 10Gij hebt de plaats voor hem bereid, en zijn wortelen doen inwortelen, zodat hij het land vervuld heeft.

  • 12Een troon der heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan, is de plaats onzes heiligdoms.

  • 7Opdat Uw beminden zouden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.

  • 3De HEERE zegene u uit Sion, Hij, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.

  • 10De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte.

  • 15Zie nederwaarts van Uw heilige woning, van den hemel, en zegen Uw volk Israel, en het land, dat Gij ons gegeven hebt, gelijk als Gij onzen vaderen gezworen hebt, een land van melk en honig vloeiende.

  • 22Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.

  • 12Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid.

  • 2Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?

  • 6Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen.

  • 8Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.

  • 12En het goud van dit land is goed; daar is ook bedolah, en de steen sardonix.

  • 15Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.

  • 1Een psalm, een lied voor de kinderen van Korach. Zijn grondslag is op de bergen der heiligheid.

  • 5De bergen vervloten van het aangezicht des HEEREN; zelfs Sinai van het aangezicht des HEEREN, des Gods van Israel.