Psalmen 134:3
De HEERE zegene u uit Sion, Hij, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.
De HEERE zegene u uit Sion, Hij, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
19Gij huis Israels! looft den HEERE; gij huis Aarons! looft den HEERE.
20Gij huis van Levi! looft den HEERE; gij die den HEERE vreest! looft den HEERE.
21Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!
4Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.
5De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens;
1Een lied Hammaaloth. Ziet, looft den HEERE, alle gij knechten des HEEREN! gij, die allen nacht in het huis des HEEREN staat.
2Heft uw handen op naar het heiligdom, en looft den HEERE.
15Gijlieden zijt den HEERE gezegend, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.
2De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek.
12O Jeruzalem! roem den HEERE; o Sion! loof uw God.
13Want Hij maakt de grendelen uwer poorten sterk; Hij zegent uw kinderen binnen in u.
24De HEERE zegene u, en behoede u!
25De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!
26De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!
2De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.
3Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.
26Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN.
3Het is gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion, want de HEERE gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheid.
12De HEERE is onzer gedachtig geweest, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israel zegenen, Hij zal het huis van Aaron zegenen.
48Geloofd zij de HEERE, de God Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zegge: Amen, Hallelujah!
6De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.
7De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen. [ (Psalms 67:8) God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen Hem vrezen. ]
8De HEERE zal den zegen gebieden, dat Hij met u zij in uw schuren, en in alles, waaraan gij uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.
12Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.
3Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de ganse gemeente van Israel; en de ganse gemeente van Israel stond.
4En hij zeide: Geloofd zij de HEERE, de God van Israel, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en heeft het met Zijn handen vervuld, zeggende:
10De HEERE zal in eeuwigheid regeren; uw God, o Sion! is van geslacht tot geslacht. Hallelujah!
26De zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden.
3Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn in het veld.
8En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.
2Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
18Geloofd zij de HEERE God, de God Israels, Die alleen wonderen doet.
13Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende:
13Want mij aangaande, Gij onderhoudt mij in mijn oprechtigheid, en Gij stelt mij voor Uw aangezicht in eeuwigheid. [ (Psalms 41:14) Geloofd zij de HEERE, de God Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid! Amen, ja, amen. ]
18Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!
1Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester.
15Zie nederwaarts van Uw heilige woning, van den hemel, en zegen Uw volk Israel, en het land, dat Gij ons gegeven hebt, gelijk als Gij onzen vaderen gezworen hebt, een land van melk en honig vloeiende.
1Hallelujah! Looft den HEERE uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen!
1Een psalm van David. Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam.
10Daarom loofde David den HEERE voor de ogen der ganse gemeente; en David zeide: Geloofd zijt Gij, HEERE, God van onzen vader Israel, van eeuwigheid tot in eeuwigheid!
16Dan zullen de heidenen den Naam des HEEREN vrezen, en alle koningen der aarde Uw heerlijkheid.
12En alle heidenen zullen u gelukzalig noemen; want gijlieden zult een lustig land zijn, zegt de HEERE der heirscharen.
14Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de ganse gemeente van Israel; en de ganse gemeente van Israel stond.
6Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.
6Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen.
6Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij zijn in uw uitgaan.
2Dat Israel zich verblijde in Dengene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich verheugen over hun Koning.
2Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.
36Geloofd zij de HEERE, de God Israels, van eeuwigheid tot eeuwigheid! En al het volk zeide: Amen! en het loofde den HEERE.
1Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.