Psalmen 65:1
Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester.
Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?
25Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
2De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden.
3Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.
12O Jeruzalem! roem den HEERE; o Sion! loof uw God.
18Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
19In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!
5De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela.
14Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
21Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!
3Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.
5Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela.
8Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden. [ (Psalms 61:9) Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag. ]
14Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.
8Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
27Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen.
4De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.
9Ziet den man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen. [ (Psalms 52:10) Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos. ] [ (Psalms 52:11) Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat Gij het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten. ]
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.
3De HEERE zegene u uit Sion, Hij, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.
1Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk.
1Hallelujah! Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte!
15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
1Hallelujah! Zingt den HEERE een nieuw lied; Zijn lof zij in de gemeente Zijner gunstgenoten.
11En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.
13Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,
1Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!
2Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
32Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.
10Jod. Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.
1Hallelujah! Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN!
8Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.
1Een lied op Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.
21Om het zuchten der gevangenen te horen, om los te maken de kinderen des doods;
1HEERE! Gij zijt mijn God, U zal ik verhogen, Uw Naam zal ik loven, want Gij hebt wonder gedaan; Uw raadslagen van verre zijn waarheid en vastigheid.
10De HEERE zal in eeuwigheid regeren; uw God, o Sion! is van geslacht tot geslacht. Hallelujah!
3Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.
1Hallelujah! O mijn ziel! prijs den HEERE.
11Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.
1Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.
28Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.
1Voor den opperzangmeester, Altascheth; een psalm, een lied, voor Asaf.
2O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
5Ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela.
18En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme, want de HEERE is een God des gerichts; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten.
16Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.
5Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.
2Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?