Psalmen 65:1

Statenvertaling (States Bible)

Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 62:1 : 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.
  • Ps 76:11 : 11 Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.
  • Ps 116:17-18 : 17 Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen. 18 Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
  • Ps 78:68-69 : 68 Maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg Sion, dien Hij liefhad. 69 En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid.
  • Ps 76:2 : 2 God is bekend in Juda; Zijn Naam is groot in Israel.
  • 1 Kron 11:7 : 7 David nu woonde op den burg; daarom heet men dien de stad Davids.
  • 1 Kron 15:29 : 29 Het geschiedde nu, toen de ark des verbonds des HEEREN tot aan de stad Davids gekomen was, dat Michal, de dochter van Saul, door een venster keek, en den koning David zag, springende en spelende; zo verachtte zij hem in haar hart.
  • 1 Kron 16:41-42 : 41 En met hen Heman en Jeduthun, en de overige uitgelezenen, die met namen uitgedrukt zijn om den HEERE te loven; want Zijn goedertierenheid is tot in der eeuwigheid. 42 Met hen dan waren Heman en Jeduthun, met trompetten en cimbalen voor degenen, die zich lieten horen, en met instrumenten der muziek Gods; maar de zonen van Jeduthun waren aan de poort.
  • 1 Kron 25:1-9 : 1 En David, mitsgaders de oversten des heirs, scheidde af tot den dienst, van de kinderen van Asaf, en van Heman, en van Jeduthun, die met harpen, met luiten en met cimbalen profeteren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannen, bekwaam tot het werk van hun dienst. 2 Van de kinderen van Asaf waren Zakkur, en Jozef, en Nethanja, en Asarela, kinderen van Asaf; aan de hand van Asaf, die aan des konings handen profeteerde. 3 Aangaande Jeduthun: de kinderen van Jeduthun waren Gedalja, en Zeri, en Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes; aan de handen van hun vader Jeduthun, op harpen profeterende met den HEERE te danken en te loven. 4 Aangaande Heman: de kinderen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziel, Sebuel, en Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, en Romamthi-Ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir, Mahazioth. 5 Deze allen waren kinderen van Heman, den ziener des konings, in de woorden Gods, om den hoorn te verheffen; want God had Heman veertien zonen gegeven, en drie dochters. 6 Dezen waren altemaal aan de handen huns vaders gesteld tot het gezang van het huis des HEEREN, op cimbalen, luiten, en harpen, tot den dienst van het huis Gods, aan de handen van den koning, van Asaf, Jeduthun, en van Heman. 7 En hun getal met hun broederen, die geleerd waren in het gezang des HEEREN, allen meesters, was tweehonderd acht en tachtig. 8 En zij wierpen de loten over de wacht, tegen elkander, zo de kleinen, als de groten, den meester met den leerling. 9 Het eerste lot nu ging uit voor Asaf, namelijk voor Jozef. Het tweede voor Gedalja; hij en zijn broederen, en zijn zonen, waren twaalf. 10 Het derde voor Zakkur; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 11 Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 12 Het vijfde voor Nethanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 13 Het zesde voor Bukkia; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 14 Het zevende voor Jesarela; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 15 Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 16 Het negende voor Mattanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 17 Het tiende voor Simei; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 18 Het elfde voor Azareel; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 19 Het twaalfde voor Hasabja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 20 Het dertiende voor Subael; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 21 Het veertiende voor Mattithja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 22 Het vijftiende voor Jeremoth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 23 Het zestiende voor Hananja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 24 Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 25 Het achttiende voor Hanani; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 26 Het negentiende voor Mallothi; zijn zonen en zijn broederen; twaalf. 27 Het twintigste voor Eliatha; zijn zonen en zijn broederen; twaalf. 28 Het een en twintigste voor Hothir; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 29 Het twee en twintigste voor Giddalti; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 30 Het drie en twintigste voor Mahazioth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf. 31 Het vier en twintigste voor Romamthi-Ezer; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
  • Ps 21:13 : 13 Want Gij zult hen zetten tot een wit; met Uw pezen zult Gij het op hun aangezicht toeleggen. [ (Psalms 21:14) Verhoog U, HEERE! in Uw sterkte; zo zullen wij zingen, en Uw macht met psalmen loven. ]
  • Ps 56:12 : 12 Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?
  • Ps 115:1-2 : 1 Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil. 2 Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?
  • Opb 14:1-3 : 1 En ik zag, en ziet, het Lam stond op den berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende den Naam Zijns Vaders geschreven aan hun voorhoofden. 2 En ik hoorde een stem uit den hemel, als een stem veler wateren, en als een stem van een groten donderslag. En ik hoorde een stem van citerspelers, spelende op hun citers; 3 En zij zongen als een nieuw gezang voor den troon, en voor de vier dieren, en de ouderlingen; en niemand kon dat gezang leren, dan de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde gekocht waren.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 12Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?

  • 25Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.

  • Ps 65:2-3
    2 verzen
    76%

    2De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden.

    3Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.

  • 12O Jeruzalem! roem den HEERE; o Sion! loof uw God.

  • Ps 116:18-19
    2 verzen
    74%

    18Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.

    19In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!

  • 5De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela.

  • 14Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.

  • 21Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!

  • 3Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.

  • 5Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela.

  • 8Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden. [ (Psalms 61:9) Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag. ]

  • 14Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.

  • 8Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.

  • 27Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen.

  • 4De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.

  • 9Ziet den man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen. [ (Psalms 52:10) Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos. ] [ (Psalms 52:11) Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat Gij het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten. ]

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.

  • 3De HEERE zegene u uit Sion, Hij, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.

  • 1Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk.

  • 1Hallelujah! Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte!

  • 15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.

  • 1Hallelujah! Zingt den HEERE een nieuw lied; Zijn lof zij in de gemeente Zijner gunstgenoten.

  • 11En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.

  • 13Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,

  • Ps 66:1-2
    2 verzen
    71%

    1Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!

    2Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.

  • 32Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.

  • 10Jod. Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.

  • 1Hallelujah! Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN!

  • 8Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.

  • 1Een lied op Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.

  • 21Om het zuchten der gevangenen te horen, om los te maken de kinderen des doods;

  • 1HEERE! Gij zijt mijn God, U zal ik verhogen, Uw Naam zal ik loven, want Gij hebt wonder gedaan; Uw raadslagen van verre zijn waarheid en vastigheid.

  • 10De HEERE zal in eeuwigheid regeren; uw God, o Sion! is van geslacht tot geslacht. Hallelujah!

  • 3Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.

  • 1Hallelujah! O mijn ziel! prijs den HEERE.

  • 11Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.

  • 1Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.

  • 28Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.

  • 1Voor den opperzangmeester, Altascheth; een psalm, een lied, voor Asaf.

  • 70%

    2O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.

  • 5Ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela.

  • 18En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme, want de HEERE is een God des gerichts; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten.

  • 16Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.

  • 5Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.

  • 2Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?