Psalmen 116:18
Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?
13Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.
14Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
25Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
17Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.
12Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?
13Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,
19In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!
14Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.
18Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen.
9Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.
8Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden. [ (Psalms 61:9) Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag. ]
1Hallelujah! Aleph. Ik zal den HEERE loven van ganser harte; Beth. In den raad en vergadering der oprechten.
14Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald;
1Een psalm van David. Ik zal U loven met mijn gehele hart; in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen.
2Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.
9Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden.
6Ziet, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen.
1Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester.
49Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.
30Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.
3Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
11Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.
1Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.
9Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
6Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.
10Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.
50Daarom zal ik U, o HEERE, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen.
28Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.
22Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.
18Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!
1Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;
2Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.
7Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel.
7Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen.
8HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats des tabernakels Uwer eer.
27Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen.
106Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.
12Heere, mijn God! ik zal U met mijn ganse hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid;
15Brandofferen van mergbeesten zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela.
16Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.
19Doet mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den HEERE loven.
17Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen. [ (Psalms 7:18) Ik zal den HEERE loven naar Zijn gerechtigheid, en den Naam des HEEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen. ]
12Mijn voet staat op effen baan; ik zal den HEERE loven in de vergaderingen.
2Ik zal den HEERE prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Muth-Labben.
2Dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende:
6De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.
2Gij, die staat in het huis des HEEREN, in de voorhoven van het huis onzes Gods!
8Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.