Psalmen 116:17
Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.
Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
18Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
19In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!
9Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.
12Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?
13Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.
14Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
14Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.
15En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.
6Ziet, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen.
49Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.
30Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.
16Och, HEERE! zekerlijk ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijn banden losgemaakt.
12Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?
7Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen.
22En dat zij lofofferen offeren, en met gejuich Zijn werken vertellen.
50Daarom zal ik U, o HEERE, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen.
28Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.
1Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.
1Een psalm van David. Ik zal U loven met mijn gehele hart; in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen.
2Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.
8Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.
29En als gij een lofoffer den HEERE zult slachten, naar uw wil zult gij het slachten.
18Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen.
13Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,
15Brandofferen van mergbeesten zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela.
1Hallelujah! Aleph. Ik zal den HEERE loven van ganser harte; Beth. In den raad en vergadering der oprechten.
35En zegt: Verlos ons, o God onzes heils, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, dat wij Uw heiligen Naam loven, en dat wij ons Uws lofs roemen.
13Nu dan, onze God, wij danken U, en loven den Naam Uwer heerlijkheid.
1Voor den opperzangmeester, Altascheth; een psalm, een lied, voor Asaf.
6Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.
25Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
7Zingt den HEERE bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp.
1Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;
2Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Muth-Labben.
12Heere, mijn God! ik zal U met mijn ganse hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid;
1Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.
2De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.
15Laat ons dan door Hem altijd Gode opofferen een offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden.
4Gaat in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang; looft Hem, prijst Zijn Naam.
21Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt.
47Verlos ons, HEERE, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij den Naam Uwer heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof.
6De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.
17Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen. [ (Psalms 7:18) Ik zal den HEERE loven naar Zijn gerechtigheid, en den Naam des HEEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen. ]
9Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
4En zult te dienzelfden dage zeggen: Dankt den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken! vermeldt, dat Zijn Naam verhoogd is.
4Maar ik riep den Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE! bevrijd mijn ziel.
30Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.
3Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
23Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.