Jona 2:9
Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.
Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
17Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.
18Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
10De HEERE nu sprak tot den vis; en hij spuwde Jona uit op het droge.
14Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.
6Ziet, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen.
22En dat zij lofofferen offeren, en met gejuich Zijn werken vertellen.
12Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?
12Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?
13Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.
14Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
7Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen.
14Toen riepen zij tot den HEERE, en zeiden: Och HEERE! laat ons toch niet vergaan om dezes mans ziel, en leg geen onschuldig bloed op ons; want Gij, HEERE! hebt gedaan, gelijk als het U heeft behaagd.
15En zij namen Jona op, en wierpen hem in de zee. Toen stond de zee stil van haar verbolgenheid.
16Dies vreesden de mannen den HEERE met grote vreeze; en zij slachtten den HEERE slachtoffer, en beloofden geloften.
49Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.
35En zegt: Verlos ons, o God onzes heils, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, dat wij Uw heiligen Naam loven, en dat wij ons Uws lofs roemen.
8Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten hunlieder weldadigheid.
13Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,
29En als gij een lofoffer den HEERE zult slachten, naar uw wil zult gij het slachten.
1En Jona bad tot den HEERE, zijn God, uit het ingewand van den vis.
2En hij zeide: Ik riep uit mijn benauwdheid tot den HEERE, en Hij antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik, en Gij hoordet mijn stem.
21Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt.
9Zo zal mijn ziel zich verheugen in den HEERE; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.
50Daarom zal ik U, o HEERE, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen.
47Verlos ons, HEERE, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij den Naam Uwer heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof.
14Wees mij genadig, HEERE, zie mijn ellende aan, van mijn haters mij aangedaan, Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods;
23Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.
25Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
30Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.
1En te dienzelfden dage zult gij zeggen: Ik dank U, HEERE! dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij.
2Ziet, God is mijn Heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen; want de Heere HEERE is mijn Sterkte en mijn Psalm, en Hij is mij tot Heil geworden.
5Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.
18Zo zal ik nochtans in den HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils.
18Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen.
14Genees mij, HEERE! zo zal ik genezen worden, behoud mij, zo zal ik behouden worden; want Gij zijt mijn Lof.
28Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.
6Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.
5En rookt van het gedesemde een lofoffer, en roept vrijwillige offers uit, doet het horen; want alzo hebt gij het gaarne, gij kinderen Israels! spreekt de Heere HEERE.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Muth-Labben.
13Nu dan, onze God, wij danken U, en loven den Naam Uwer heerlijkheid.
6Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.
16Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.
7Zingt den HEERE bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp.
2En hij bad tot den HEERE, en zeide: Och HEERE! was dit mijn woord niet, als ik nog in mijn land was? Daarom kwam ik het voor, vluchtende naar Tarsis; want ik wist, dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwaad.
14Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald;
15Brandofferen van mergbeesten zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela.
1Een psalm van David. Ik zal U loven met mijn gehele hart; in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen.
9Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
20De HEERE was gereed om mij te verlossen; daarom zullen wij op mijn snarenspel spelen; al de dagen onzes levens, in het huis des HEEREN.
14Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.