Psalmen 26:7
Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen.
Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Muth-Labben.
22En dat zij lofofferen offeren, en met gejuich Zijn werken vertellen.
8Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.
9Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderwerken.
1Voor den opperzangmeester, Altascheth; een psalm, een lied, voor Asaf.
17Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.
18Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
1Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.
2Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderen.
30Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.
6Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o HEERE!
7Zingt den HEERE bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp.
50Daarom zal ik U, o HEERE, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen.
49Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.
8HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats des tabernakels Uwer eer.
5He. Ik zal uitspreken de heerlijkheid der eer Uwer majesteit, en Uw wonderlijke daden.
6Vau. En zij zullen vermelden de kracht Uwer vreselijke daden; en Uw grootheid, die zal ik vertellen.
7Zain. Zij zullen de gedachtenis der grootheid Uwer goedheid overvloediglijk uitstorten, en zij zullen Uw gerechtigheid met gejuich verkondigen.
12Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord; [ (Psalms 30:13) Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven. ]
1Een psalm van David. Ik zal U loven met mijn gehele hart; in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen.
2Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.
28Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.
18Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen.
1Hallelujah! Aleph. Ik zal den HEERE loven van ganser harte; Beth. In den raad en vergadering der oprechten.
11Daarna zeide ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert.
12Ik zal de daden des HEEREN gedenken; ja, ik zal gedenken Uw wonderen van ouds her;
10Jod. Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.
30Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.
4En zult te dienzelfden dage zeggen: Dankt den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken! vermeldt, dat Zijn Naam verhoogd is.
27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
17Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen. [ (Psalms 7:18) Ik zal den HEERE loven naar Zijn gerechtigheid, en den Naam des HEEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen. ]
9Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.
14Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.
1HEERE! Gij zijt mijn God, U zal ik verhogen, Uw Naam zal ik loven, want Gij hebt wonder gedaan; Uw raadslagen van verre zijn waarheid en vastigheid.
4Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.
12Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?
9Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
12Heere, mijn God! ik zal U met mijn ganse hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid;
14Wees mij genadig, HEERE, zie mijn ellende aan, van mijn haters mij aangedaan, Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods;
13Nu dan, onze God, wij danken U, en loven den Naam Uwer heerlijkheid.
4Gaat in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang; looft Hem, prijst Zijn Naam.
6Ziet, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen.
2Wie zal de mogendheden des HEEREN uitspreken, al Zijn lof verkondigen?
12Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?
4HEERE! Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald.
22Ook zal ik U loven met het instrument der luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israels!
6Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.
3Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
7Ik zal de goedertierenheden des HEEREN vermelden, den veelvoudigen lof des HEEREN, naar alles, wat de HEERE ons heeft bewezen, en de grote goedigheid aan het huis van Israel, die Hij hun bewezen heeft, naar Zijn barmhartigheden, en naar de veelheid Zijner goedertierenheden.
7Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.