Psalmen 69:30
Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.
Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
50Daarom zal ik U, o HEERE, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen.
49Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.
30Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.
1Een psalm van David. Ik zal U loven met mijn gehele hart; in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen.
2Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.
17Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.
29Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.
12Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord; [ (Psalms 30:13) Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven. ]
28Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.
7Zingt den HEERE bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp.
13Nu dan, onze God, wij danken U, en loven den Naam Uwer heerlijkheid.
7Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen.
31Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.
1Een psalm, een lied, op den sabbatdag.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Muth-Labben.
2Ik zal den HEERE loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen.
1Voor den opperzangmeester, Altascheth; een psalm, een lied, voor Asaf.
14Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.
17Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen. [ (Psalms 7:18) Ik zal den HEERE loven naar Zijn gerechtigheid, en den Naam des HEEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen. ]
9Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
18Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen.
12Heere, mijn God! ik zal U met mijn ganse hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid;
22Ook zal ik U loven met het instrument der luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israels!
1Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.
3Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
1Een lofzang van David. Aleph. O mijn God, Gij Koning! ik zal U verhogen, en Uw Naam loven in eeuwigheid en altoos.
2Beth. Te allen dage zal ik U loven, en Uw Naam prijzen in eeuwigheid en altoos.
23Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.
2Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met psalmen.
4Gaat in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang; looft Hem, prijst Zijn Naam.
22En dat zij lofofferen offeren, en met gejuich Zijn werken vertellen.
2Ik zal den HEERE prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
6Ziet, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen.
2Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
1Hallelujah! Aleph. Ik zal den HEERE loven van ganser harte; Beth. In den raad en vergadering der oprechten.
12Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?
9Ziet den man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen. [ (Psalms 52:10) Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos. ] [ (Psalms 52:11) Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat Gij het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten. ]
4En dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God!
1Een psalm, een lied der inwijding van Davids huis.
3Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.
34Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.
4HEERE! Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald.
5De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela.
1Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.
8Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.
6Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.
3Looft Hem met geklank der bazuin; looft Hem met de luit en met de harp!
9O God! ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.
2Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.
33Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.