Psalmen 67:3
Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.
Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.
5De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela.
6De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.
7De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen. [ (Psalms 67:8) God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen Hem vrezen. ]
1Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
2God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela.
1Looft den HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natien!
8Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
3Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
4De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.
4Laat hen terugkeren tot loon hunner beschaming, die daar zeggen: Ha, ha!
9Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
32Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.
10Jod. Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.
4Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.
9Al de heidenen, Heere! die Gij gemaakt hebt, zullen komen, en zullen zich voor Uw aanschijn nederbuigen, en Uw Naam eren.
34Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.
3Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.
5Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.
31Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.
32En Hem verhogen in de gemeente des volks, en in het gestoelte der oudsten Hem roemen.
1Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!
2Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
11Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken. [ (Psalms 57:12) Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde. ]
6God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.
7Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!
27De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.
1Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
5Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.
11En wederom: Looft den Heere, al gij heidenen, en prijst Hem, al gij volken!
47Verlos ons, HEERE, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij den Naam Uwer heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof.
48Geloofd zij de HEERE, de God Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zegge: Amen, Hallelujah!
16Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha!
6Alles, wat adem heeft, love den HEERE! Hallelujah!
28Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.
13Zo zullen wij, Uw volk en de schapen Uwer weide, U loven in eeuwigheid, van geslacht tot geslacht; wij zullen Uw roem vertellen.
35Geeft Gode sterkte! Zijn hoogheid is over Israel, en Zijn sterkte in de bovenste wolken. [ (Psalms 68:36) O God! Gij zijt vreselijk uit Uw heiligdommen; de God Israels, Die geeft den volke sterkte en krachten. Geloofd zij God! ]
1Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester.
1Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk.
3Dat zij Zijn Naam loven op de fluit; dat zij Hem psalmzingen op de trommel en harp.
3Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.
30Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.
15Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.
35En zegt: Verlos ons, o God onzes heils, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, dat wij Uw heiligen Naam loven, en dat wij ons Uws lofs roemen.
1Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.
3Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want Hij is liefelijk.
14O God! Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God?
18Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen.
8Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.