Psalmen 67:2
God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela.
God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.
4De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.
5De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela.
6De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.
7De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen. [ (Psalms 67:8) God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen Hem vrezen. ]
1Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
2De HEERE heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der heidenen.
3Hij is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid, en Zijner waarheid aan het huis Israels; en al de einden der aarde hebben gezien het heil onzes Gods.
7Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde?
23Zingt den HEERE, gij, ganse aarde, boodschapt Zijn heil van dag tot dag.
24Vertelt Zijn eer onder de heidenen, Zijn wonderwerken onder alle volken.
2Zingt den HEERE, looft Zijn Naam; boodschapt Zijn heil van dag tot dag.
3Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.
4Laat hen terugkeren tot loon hunner beschaming, die daar zeggen: Ha, ha!
35En zegt: Verlos ons, o God onzes heils, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, dat wij Uw heiligen Naam loven, en dat wij ons Uws lofs roemen.
8Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
14Wees mij genadig, HEERE, zie mijn ellende aan, van mijn haters mij aangedaan, Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods;
5Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.
1Looft den HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natien!
8Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God; want Gij hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken. [ (Psalms 3:9) Het heil is des HEEREN; Uw zegen is over Uw volk. Sela. ]
5Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.
6Verhef U, o God! boven de hemelen, en Uw eer over de ganse aarde.
9Ik zal horen, wat God, de HEERE, spreken zal; want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede spreken; maar dat zij niet weder tot dwaasheid keren.
47Verlos ons, HEERE, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij den Naam Uwer heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof.
26Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.
27Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat Gij het, HEERE! gedaan hebt.
27De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.
7Gij hebt ons onzen naburen tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich.
11Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken. [ (Psalms 57:12) Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde. ]
7Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, Die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan!
3Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraim, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing.
15Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.
9Al de heidenen, Heere! die Gij gemaakt hebt, zullen komen, en zullen zich voor Uw aanschijn nederbuigen, en Uw Naam eren.
16Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand mijner vijanden, en van mijn vervolgers.
16Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha!
10De HEERE heeft Zijn heiligen arm ontbloot voor de ogen aller heidenen; en al de einden der aarde zullen zien het heil onzes Gods.
5Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien; Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn.
4De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.
3Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
14O God! Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God?
9Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.
10Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak des vergoten bloeds Uwer knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden.
9Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
5Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.
3Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid, en tot Uw woningen;
32Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.
20Sta op, HEERE, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden. [ (Psalms 9:21) O HEERE! jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn. Sela. ]
2Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?
10Jod. Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.
12Evenwel is God mijn Koning van ouds af, Die verlossingen werkt in het midden der aarde.