Psalmen 96:3
Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.
Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
23Zingt den HEERE, gij, ganse aarde, boodschapt Zijn heil van dag tot dag.
24Vertelt Zijn eer onder de heidenen, Zijn wonderwerken onder alle volken.
25Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen, en Hij is vreselijk boven alle goden.
6De hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid, en alle volken zien Zijn eer.
8Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.
9Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderwerken.
4Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden.
1Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.
2Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderen.
3Roemt u in den Naam Zijner heiligheid; het hart dergenen, die den HEERE zoeken, verblijde zich.
2Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
1Zingt den HEERE een nieuw lied; zingt de HEERE, gij ganse aarde!
2Zingt den HEERE, looft Zijn Naam; boodschapt Zijn heil van dag tot dag.
3Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
9Al de heidenen, Heere! die Gij gemaakt hebt, zullen komen, en zullen zich voor Uw aanschijn nederbuigen, en Uw Naam eren.
12Lamed. Om de mensenkinderen bekend te maken Zijn mogendheden, en de eer der heerlijkheid Zijns Koninkrijks.
1Looft den HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natien!
6Vau. En zij zullen vermelden de kracht Uwer vreselijke daden; en Uw grootheid, die zal ik vertellen.
2God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela.
3Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.
2Looft Hem vanwege Zijn mogendheden; looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid!
3Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.
4De HEERE is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is Zijn heerlijkheid.
2De HEERE heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der heidenen.
4En zult te dienzelfden dage zeggen: Dankt den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken! vermeldt, dat Zijn Naam verhoogd is.
5Psalmzingt den HEERE, want Hij heeft heerlijk dingen gedaan; zulks zij bekend op den gansen aardbodem.
7Geeft den HEERE, gij geslachten der volken! geeft den HEERE eer en sterkte.
8Geeft den HEERE de eer Zijns Naams; brengt offer, en komt in Zijn voorhoven.
9Aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms; schrikt voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde.
10Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.
11Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid.
9Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
3Gimel. De HEERE is groot en zeer te prijzen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.
4Daleth. Geslacht aan geslacht zal Uw werken roemen; en zij zullen Uw mogendheden verkondigen.
6Caph. Hij heeft de kracht Zijner werken Zijn volke bekend gemaakt; Lamed. hun gevende de erve der heidenen.
14O God! Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God?
12Laat ze den HEERE de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen.
2Wie zal de mogendheden des HEEREN uitspreken, al Zijn lof verkondigen?
13Dat zij den Naam des HEEREN loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en den hemel.
4Juicht den HEERE, gij ganse aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt.
2Geeft den HEERE de eer Zijns Naams, aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms.
27Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en vrolijkheid zijn in Zijn plaats.
28Geeft den HEERE, gij, geslachten der volken, geeft den HEERE eer en sterkte.
3Want ik zal den Naam des HEEREN uitroepen; geeft onzen God grootheid!
3Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
3He. Zijn doen is majesteit en heerlijkheid; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in der eeuwigheid.
15Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis.
11En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.
31De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.