Deuteronomium 32:3
Want ik zal den Naam des HEEREN uitroepen; geeft onzen God grootheid!
Want ik zal den Naam des HEEREN uitroepen; geeft onzen God grootheid!
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Een psalm van David. Geeft den HEERE, gij kinderen der machtigen! geeft den HEERE eer en sterkte.
2Geeft den HEERE de eer Zijns Naams, aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms.
3De stem des HEEREN is op de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren.
2Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
4En zult te dienzelfden dage zeggen: Dankt den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken! vermeldt, dat Zijn Naam verhoogd is.
25Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen, en Hij is vreselijk boven alle goden.
3Dat zij Uw groten en vreselijken Naam loven, die heilig is;
32Want wie is God, behalve de HEERE, en wie is een rotssteen, behalve onze God?
6Vau. En zij zullen vermelden de kracht Uwer vreselijke daden; en Uw grootheid, die zal ik vertellen.
4Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.
3Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.
4Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden.
3Gimel. De HEERE is groot en zeer te prijzen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.
3Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in den HEERE; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.
3Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;
1Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.
2De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.
3Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.
28Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith.
5Want ik weet, dat de HEERE groot is, en dat onze Heere boven alle goden is.
2Looft Hem vanwege Zijn mogendheden; looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid!
21Om het zuchten der gevangenen te horen, om los te maken de kinderen des doods;
13Nu dan, onze God, wij danken U, en loven den Naam Uwer heerlijkheid.
17Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen. [ (Psalms 7:18) Ik zal den HEERE loven naar Zijn gerechtigheid, en den Naam des HEEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen. ]
22Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.
2Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.
1Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.
8Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden.
13Dat zij den Naam des HEEREN loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en den hemel.
10Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.
3Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want Hij is liefelijk.
1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
2Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.
50Daarom zal ik U, o HEERE, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen.
7Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen.
3Hoort, gij koningen, neemt ter oren, gij vorsten! Ik, den HEERE zal ik zingen, ik zal den HEERE, den God Israels, psalmzingen.
25Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
1HEERE! Gij zijt mijn God, U zal ik verhogen, Uw Naam zal ik loven, want Gij hebt wonder gedaan; Uw raadslagen van verre zijn waarheid en vastigheid.
1Een psalm, een lied van Asaf, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
2Er is niemand heilig, gelijk de HEERE; want er is niemand dan Gij, en er is geen rotssteen, gelijk onze God!
3Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan.
6Omdat niemand U gelijk is, o HEERE! zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid.
12Heere, mijn God! ik zal U met mijn ganse hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid;
34Dien, Die daar rijdt in den hemel der hemelen, Die van ouds is; ziet, Hij geeft Zijn stem, een stem der sterkte.
12Laat ze den HEERE de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen.
8Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.
7Ik zal de goedertierenheden des HEEREN vermelden, den veelvoudigen lof des HEEREN, naar alles, wat de HEERE ons heeft bewezen, en de grote goedigheid aan het huis van Israel, die Hij hun bewezen heeft, naar Zijn barmhartigheden, en naar de veelheid Zijner goedertierenheden.
49Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.
15In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn, [ (Psalms 92:16) Om te verkondigen, dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht. ]