Psalmen 76:1
Een psalm, een lied van Asaf, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
Een psalm, een lied van Asaf, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2God is bekend in Juda; Zijn Naam is groot in Israel.
2Zo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israel Zijn volkomene heerschappij.
3Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad des groten Konings.
1Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach.
5Psalmzingt den HEERE, want Hij heeft heerlijk dingen gedaan; zulks zij bekend op den gansen aardbodem.
6Juich en zing vrolijk, gij inwoneres van Sion! want de Heilige Israels is groot in het midden van u.
2De HEERE is groot in Sion, en Hij is hoog boven alle volken.
3Dat zij Uw groten en vreselijken Naam loven, die heilig is;
2Dan zullen zij tot Mij roepen: Mijn God! wij, Israel, kennen U.
3Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.
4Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden.
7Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.
3Want ik zal den Naam des HEEREN uitroepen; geeft onzen God grootheid!
12O Jeruzalem! roem den HEERE; o Sion! loof uw God.
14Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.
10O God! wij gedenken Uwer weldadigheid, in het midden Uws tempels.
11Gelijk Uw Naam is, o God! alzo is Uw roem tot aan de einden der aarde; Uw rechterhand is vol van gerechtigheid.
25Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen, en Hij is vreselijk boven alle goden.
8Sion heeft gehoord, en het heeft zich verblijd, en de dochteren van Juda hebben zich verheugd vanwege Uw oordelen, o HEERE!
19In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!
2Ja, van de heilige stad worden zij genoemd, en zij steunen op den God Israels; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.
21Om het zuchten der gevangenen te horen, om los te maken de kinderen des doods;
13En zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.
18Geloofd zij de HEERE God, de God Israels, Die alleen wonderen doet.
10Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.
5Want ik weet, dat de HEERE groot is, en dat onze Heere boven alle goden is.
19Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israel Zijn inzettingen en Zijn rechten.
20Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah!
2Dat Israel zich verblijde in Dengene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich verheugen over hun Koning.
34Dien, Die daar rijdt in den hemel der hemelen, Die van ouds is; ziet, Hij geeft Zijn stem, een stem der sterkte.
35Geeft Gode sterkte! Zijn hoogheid is over Israel, en Zijn sterkte in de bovenste wolken. [ (Psalms 68:36) O God! Gij zijt vreselijk uit Uw heiligdommen; de God Israels, Die geeft den volke sterkte en krachten. Geloofd zij God! ]
35Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt.
11En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.
5Want Israel of Juda zal niet in weduwschap gelaten worden van zijn God, van den HEERE der heirscharen (hoewel hunlieder land vol van schuld is), van den Heilige Israels.
1Een psalm van Asaf. Immers is God Israel goed, dengenen, die rein van harte zijn.
7Opdat Uw beminden zouden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.
3Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;
26De zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.
6En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.
21Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!
13Dat zij den Naam des HEEREN loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en den hemel.
3Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.
4De HEERE is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is Zijn heerlijkheid.
60Opdat alle volken der aarde weten, dat de HEERE die God is, niemand meer;
6Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaar.
8God heeft gesproken in Zijn heiligdom, dies zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.
1Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der goden;
2Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
7Want wie mag in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken?