Deuteronomium 32:1

Statenvertaling (States Bible)

Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Deut 4:26 : 26 Zo roep ik heden den hemel en de aarde tot getuige tegen ulieden, dat gij voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar gij over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; gij zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden.
  • Jes 1:2 : 2 Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden.
  • Jer 6:19 : 19 Hoor toe, gij aarde! Zie, Ik zal een kwaad brengen over dit volk, de vrucht hunner gedachten; want zij merken niet op Mijn woorden, en Mijn wet verwerpen zij.
  • Deut 30:19 : 19 Ik neem heden tegen ulieden tot getuigen den hemel en de aarde; het leven en den dood heb ik u voorgesteld, den zegen en den vloek! Kiest dan het leven, opdat gij levet, gij en uw zaad;
  • Deut 31:28 : 28 Vergadert tot mij al de oudsten uwer stammen, en uw ambtlieden; dat ik voor hun oren deze woorden spreke, en tegen hen den hemel en de aarde tot getuigen neme.
  • Ps 50:4 : 4 Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.
  • Ps 49:1 : 1 Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
  • Jer 22:29 : 29 O land, land, land! hoor des HEEREN woord!
  • Jer 2:12 : 12 Ontzet u hierover, gij hemelen, en zijt verschrikt, wordt zeer woest, spreekt de HEERE.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Deut 32:2-3
    2 verzen
    83%

    2Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.

    3Want ik zal den Naam des HEEREN uitroepen; geeft onzen God grootheid!

  • Ps 78:1-2
    2 verzen
    80%

    1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.

    2Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;

  • 23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!

  • Job 33:1-3
    3 verzen
    78%

    1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.

    2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.

    3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.

  • 2Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!

  • 2Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?

  • 17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.

  • 16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.

  • 21En de aarde zal het koren verhoren, mitsgaders den most en de olie; en die zullen Jizreel verhoren.

  • 24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.

  • 74%

    1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.

  • 2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.

  • 29O land, land, land! hoor des HEEREN woord!

  • 6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.

  • 1Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israels!

  • 1Nadert, gij heidenen, om te horen, en gij volken, luistert toe; de aarde hore, en haar volheid, de wereld en al wat daaruit voortkomt.

  • 1Hoort nu, wat de HEERE zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen.

  • 31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.

  • 4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.

  • 8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;

  • 2Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden.

  • 6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.

  • 3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.

  • 8Of spreek tot de aarde, en zij zal het u leren; ook zullen het u de vissen der zee vertellen.

  • 15Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want de HEERE heeft het gesproken.

  • 22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.

  • 8In de benauwdheid riept gij, en Ik hielp u uit; Ik antwoordde u uit de schuilplaats des donders; Ik beproefde u aan de wateren van Meriba. Sela.

  • 28Vergadert tot mij al de oudsten uwer stammen, en uw ambtlieden; dat ik voor hun oren deze woorden spreke, en tegen hen den hemel en de aarde tot getuigen neme.

  • 20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.

  • 1Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken.

  • 1Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

  • 32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.

  • 33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.

  • 4Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.

  • 7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.

  • 6HEERE! neem mijn gebed ter ore, en merk op de stem mijner smekingen.

  • 20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.

  • 17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;

  • 2Hoort, gij volken altemaal! merk op, gij aarde, mitsgaders derzelver volheid! de Heere HEERE nu zal tot een getuige zijn tegen ulieden, de Heere uit den tempel Zijner heiligheid.

  • 1Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN.

  • 23Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.

  • 10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.

  • 6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.

  • 2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.

  • 10Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier, en brood den eter;

  • 10Verder zeide Hij tot mij: Mensenkind, vat al Mijn woorden, die Ik tot u spreken zal, in uw hart, en hoor ze met uw oren.