Jesaja 28:23

Statenvertaling (States Bible)

Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Deut 32:1 : 1 Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
  • Jes 1:2 : 2 Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden.
  • Jer 22:29 : 29 O land, land, land! hoor des HEEREN woord!
  • Opb 2:7 : 7 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.
  • Opb 2:11 : 11 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, zal van den tweeden dood niet beschadigd worden.
  • Opb 2:14 : 14 Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de lering van Balaam houden, die Balak leerde den kinderen Israels een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren.
  • Opb 2:29 : 29 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.

  • 1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.

  • 16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.

  • 1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.

  • 1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.

  • 15Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want de HEERE heeft het gesproken.

  • 23Wie onder ulieden neemt zulks ter oren? Wie merkt op en hoort, wat hierna zijn zal?

  • 24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.

  • 8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;

  • 76%

    10Verder zeide Hij tot mij: Mensenkind, vat al Mijn woorden, die Ik tot u spreken zal, in uw hart, en hoor ze met uw oren.

    11En ga henen, kom tot de weggevoerden, tot de kinderen uws volks, en spreek tot hen, en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen.

  • 7Maar hoor nu dit woord, dat ik spreek voor uw oren, en voor de oren des gansen volks:

  • 19HEERE! luister naar mij, en hoor naar de stem mijner twisters.

  • 22Nu dan, drijft den spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden; want ik heb van den Heere HEERE der heirscharen gehoord een verdelging, ja, een, die vast besloten is over het ganse land.

  • 2Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!

  • 21Ik sprak u aan in uw groten voorspoed, maar gij zeidet: Ik zal niet horen. Dit is uw weg van uw jeugd af, dat gij Mijner stem niet hebt gehoorzaamd.

  • 23Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.

  • 6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.

  • 20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.

  • 9Wie oren heeft om te horen, die hore.

  • 2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.

  • 21Hoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.

  • 29O land, land, land! hoor des HEEREN woord!

  • 17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;

  • 15Wie oren heeft om te horen, die hore.

  • 2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.

  • 1Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israels!

  • 2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.

  • 31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.

  • 3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.

  • 18Daarom hoort, gij heidenen! en verneem, o gij vergadering! wat onder hen is.

  • 6HEERE! neem mijn gebed ter ore, en merk op de stem mijner smekingen.

  • 8In de benauwdheid riept gij, en Ik hielp u uit; Ik antwoordde u uit de schuilplaats des donders; Ik beproefde u aan de wateren van Meriba. Sela.

  • 2HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.

  • 1Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

  • 18Want wie heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord?

  • 6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.

  • 9En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.

  • 20Gij ziet wel veel dingen, maar gij bewaart ze niet; of schoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet.

  • 2Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?

  • 21En de aarde zal het koren verhoren, mitsgaders den most en de olie; en die zullen Jizreel verhoren.

  • 18Gij dan, hoort de gelijkenis van den zaaier.

  • 7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.

  • 7Hoort naar Mij, gijlieden, die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart Mijn wet is! vreest niet de smaadheid van den mens, en voor hun smaadredenen ontzet u niet.

  • 8Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen; Omdat gij Mijn woorden niet hebt gehoord;

  • 18Hoort, gij doven! en schouwt aan, gij blinden! om te zien.

  • 1Hoort nu, wat de HEERE zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen.

  • 5Horende naar de woorden Mijner knechten, de profeten, die Ik tot u zende, zelfs vroeg op zijnde en zendende; doch gij niet gehoord hebt;

  • 1Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken.

  • 9Indien iemand oren heeft, die hore.