Spreuken 5:7
Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
2Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.
4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
4Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend;
5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
8Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
11Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.
10Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
20En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?
24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
10Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir.
1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
22Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.