Spreuken 23:26
Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
15Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
21Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
11Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
2Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
11Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
8Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
2Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.
3Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder.
4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
17Tuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven.
22Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
24De vader des rechtvaardigen zal zich zeer verheugen; en die een wijzen zoon gewint, zal zich over hem verblijden.
25Laat uw vader zich verblijden, ook uw moeder; en laat haar zich verheugen, die u gebaard heeft.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
20En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
2Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?
6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
19En geef mijn zoon Salomo een volkomen hart, om te houden Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw inzettingen; en om alles te doen, en om dit paleis te bouwen, hetwelk ik bereid heb.
23Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
33Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken.
18Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
10Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.