Spreuken 23:15
Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.
Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
11Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
24De vader des rechtvaardigen zal zich zeer verheugen; en die een wijzen zoon gewint, zal zich over hem verblijden.
25Laat uw vader zich verblijden, ook uw moeder; en laat haar zich verheugen, die u gebaard heeft.
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
17Tuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven.
20Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
1De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
13Weer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven.
14Gij zult hem met de roede slaan, en zijn ziel van de hel redden.
18Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.
15De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.
15De roede, en de bestraffing geeft wijsheid; maar een kind, dat aan zichzelf gelaten is, beschaamt zijn moeder.
11Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;
12Want de HEERE kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon, in denwelken hij een welbehagen heeft.
13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
31Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.
32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
24Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.
3Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
8Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
13Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen.
1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
30Het licht der ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet.
6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
21Wie een zot genereert, die zal hem tot droefheid zijn; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden.
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
2Een verstandig knecht zal heersen over een zoon, die beschaamd maakt, en in het midden der broederen zal hij erfenis delen.
13Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.
14Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.
15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
3Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
3Een man, die de wijsheid bemint, verblijdt zijn vader; maar die een metgezel der hoeren is, brengt het goed door.
23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.