Psalmen 49:3
Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, en de overdenking mijns harten zal vol verstand zijn.
2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun.
2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
3Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.
6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
1Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.
2Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;
30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
15Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
14Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding. [ (Psalms 19:15) Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser! ]
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
14Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
12Ik zal de daden des HEEREN gedenken; ja, ik zal gedenken Uw wonderen van ouds her;
12Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
99Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
36Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
2Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
3Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
5De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.
2Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld,
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
16Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen, die voor mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien.
3Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.
15Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
34Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.
25Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te sporen, en te zoeken wijsheid en een sluitrede; en om te weten de goddeloosheid der zotheid, en de dwaasheid der onzinnigheden.