Psalmen 49:4
Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, en de overdenking mijns harten zal vol verstand zijn.
Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, en de overdenking mijns harten zal vol verstand zijn.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
2Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;
3Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
5Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgene rede openen op de harp.
12Voorts is tot mij een woord heimelijk gebracht, en mijn oor heeft een weinigje daarvan gevat;
13Onder de gedachten van de gezichten des nachts, als diepe slaap valt op de mensen;
6Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun.
2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
4Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
1Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.
4Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;
31Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem der wenenden.
17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
49En ik zeide: Ach, Heere HEERE, zij zeggen van mij: Is hij niet een verdichter van gelijkenissen?
3Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
4De Heere HEERE heeft Mij een tong der geleerden gegeven, opdat Ik wete met den moede een woord ter rechter tijd te spreken; Hij wekt allen morgen, Hij wekt Mij het oor, dat Ik hore, gelijk die geleerd worden.
5De Heere HEERE heeft Mij het oor geopend, en Ik ben niet wederspannig, Ik wijk niet achterwaarts.
20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
2En Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw Zijner hand heeft Hij Mij bedekt; en Hij heeft Mij tot een zuiveren pijl gesteld, in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen.
3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
14Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.