Job 32:20
Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil; zij antwoorden niet meer.
17Ik zal mijn deel ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
18Want ik ben der woorden vol; de geest mijns buiks benauwt mij.
19Ziet, mijn buik is als de wijn, die niet geopend is; gelijk nieuwe lederen zakken zou hij bersten.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
2Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij.
3Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
4Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.
20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
5Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden.
6Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?
13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
2Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;
10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
4Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?
5Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!
6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
1Maar Job antwoordde en zeide:
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
42Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.
3Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.
1Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
14Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.
1Maar Job antwoordde en zeide:
21Och, dat ik niemands aangezicht aanneme, en tot den mens geen bijnamen gebruike!
2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.
17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;
3Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!