Job 20:2
Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij.
Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
3Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
2Zou de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben?
17Ik zal mijn deel ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
18Want ik ben der woorden vol; de geest mijns buiks benauwt mij.
20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
3Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.
4Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
1Maar Job antwoordde en zeide:
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
1Maar Job antwoordde en zeide:
22Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.
1Een psalm van David. HEERE! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.
14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
15Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.
1Maar Job antwoordde en zeide:
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
1Maar Job antwoordde en zeide:
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
60Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
18Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken.
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
1Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing.
2Toen antwoordde mij de HEERE, en zeide: Schrijf het gezicht, en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze die voorbijloopt.
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
14(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
8Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela.
42Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.
1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.