Job 38:1
Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
5Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!
6Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!
7Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!
1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
3Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
9Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.
2Want Job antwoordde en zeide:
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
9Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.
7Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
19En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
20Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
2Toen zeide de HEERE tot den satan: Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.
24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
23Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweder; het zal blijven op het hoofd der goddelozen.
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
11En Hij zeide: Ga uit, en sta op dezen berg, voor het aangezicht des HEEREN. En ziet, de HEERE ging voorbij, en een grote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de steenrotsen, voor den HEERE henen; doch de HEERE was in den wind niet; en na dezen wind een aardbeving; de HEERE was ook in de aardbeving niet;
19Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd.
8Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!
25Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft.