Job 38:1

Statenvertaling (States Bible)

Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 40:6 : 6 Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!
  • Ezech 1:4 : 4 Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden des vuurs.
  • Nah 1:3 : 3 De HEERE is lankmoedig, doch van grote kracht, en Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig. Des HEEREN weg is in wervelwind, en in storm, en de wolken zijn het stof Zijner voeten.
  • Ex 19:16-19 : 16 En het geschiedde op den derden dag, toen het morgen was, dat er op den berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid ener zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was. 17 En Mozes leidde het volk uit het leger, Gode tegemoet; en zij stonden aan het onderste des bergs. 18 En de ganse berg Sinai rookte, omdat de HEERE op denzelven nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de ganse berg beefde zeer. 19 Toen het geluid der bazuin gaande was, en zeer sterk werd, sprak Mozes; en God antwoordde hem met een stem.
  • Deut 4:11-12 : 11 En gijlieden naderdet en stondt beneden dien berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden des hemels; er was duisternis, wolken en donkerheid). 12 Zo sprak de HEERE tot u uit het midden des vuurs; gij hoordet de stem der woorden; maar gij zaagt geen gelijkenis, behalve de stem.
  • Deut 5:22-24 : 22 Deze woorden sprak de HEERE tot uw ganse gemeente, op den berg, uit het midden des vuurs, der wolk en der donkerheid, met een grote stem, en deed daar niets toe; en Hij schreef ze op twee stenen tafelen, en gaf ze mij. 23 En het geschiedde, als gij die stem uit het midden der duisternis hoordet, en de berg van vuur brandde, zo naderdet gij tot mij, alle hoofden uwer stammen, en uw oudsten, 24 En zeidet: Zie, de HEERE, onze God, heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid laten zien, en wij hebben Zijn stem gehoord uit het midden des vuurs; dezen dag hebben wij gezien, dat God met den mens spreekt, en dat hij levend blijft.
  • 1 Kon 19:11 : 11 En Hij zeide: Ga uit, en sta op dezen berg, voor het aangezicht des HEEREN. En ziet, de HEERE ging voorbij, en een grote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de steenrotsen, voor den HEERE henen; doch de HEERE was in den wind niet; en na dezen wind een aardbeving; de HEERE was ook in de aardbeving niet;
  • 2 Kon 2:1 : 1 Het geschiedde nu, als de HEERE Elia met een onweder ten hemel opnemen zou, dat Elia met Elisa ging van Gilgal.
  • 2 Kon 2:11 : 11 En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Alzo voer Elia met een onweder ten hemel.
  • Job 37:1-2 : 1 Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats. 2 Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!
  • Job 37:9 : 9 Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.
  • Job 37:14 : 14 Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 40:5-7
    3 verzen
    95%

    5Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!

    6Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!

    7Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!

  • Job 40:1-3
    3 verzen
    89%

    1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:

    2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.

    3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?

  • 1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • Job 38:2-3
    2 verzen
    79%

    2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?

    3Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.

  • 9Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.

  • 2Want Job antwoordde en zeide:

  • 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

  • 7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

  • 9Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?

  • 1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:

  • 1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

  • 14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.

  • 7Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.

  • 1Verder antwoordde Elihu, en zeide:

  • 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:

  • 1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.

  • Job 1:19-20
    2 verzen
    73%

    19En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.

    20Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;

  • 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:

  • 1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:

  • 2Toen zeide de HEERE tot den satan: Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.

  • 24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?

  • 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:

  • 23Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweder; het zal blijven op het hoofd der goddelozen.

  • 1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:

  • 22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!

  • Job 33:31-32
    2 verzen
    71%

    31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.

    32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.

  • 1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:

  • 11En Hij zeide: Ga uit, en sta op dezen berg, voor het aangezicht des HEEREN. En ziet, de HEERE ging voorbij, en een grote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de steenrotsen, voor den HEERE henen; doch de HEERE was in den wind niet; en na dezen wind een aardbeving; de HEERE was ook in de aardbeving niet;

  • 19Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd.

  • 8Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!

  • 25Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft.