Psalmen 148:8
Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!
Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9Gij bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen!
10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!
12Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.
13Van den glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen.
15Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn woord loopt zeer snel.
16Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit den rijm als as.
17Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude?
18Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien henen.
5God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet.
6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.
16Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
7Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.
13Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
30En de HEERE zal Zijn heerlijke stem doen horen, en de nederlating Zijns arms doen zien, met grimmigheid van toorn, en een vlam van verterend vuur, stralen, en een vloed, en hagelstenen.
8Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.
25Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft.
32Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land.
7Looft den HEERE, van de aarde; gij walvissen en alle afgronden!
17De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd.
18De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarhenen.
5De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten; en de aarde licht zich op voor Zijn aangezicht, en de wereld, en allen, die daarin wonen.
6Wie zal voor Zijn gramschap staan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld.
9Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.
10Door zijn geblaas geeft God de vorst, zodat de brede wateren verstijfd worden.
11Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.
14Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind.
15Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt;
48Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.
14De HEERE donderde van den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem.
7De stem des HEEREN houwt er vlammen vuurs uit.
8Toen daverde en beefde de aarde; de fondamenten des hemels beroerden zich, en daverden, omdat Hij ontstoken was.
9Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.
4Zijn bliksemen verlichten de wereld; het aardrijk ziet ze en het beeft.
8Die de hemelen met wolken bedekt, Die voor de aarde regen bereidt; Die het gras op de bergen doet uitspruiten;
3Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde.
22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!
8Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.
16En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des HEEREN, van het geblaas des winds van Zijn neus.
8Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela.
3Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.
6Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn.
7Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.
13Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.
15En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.
26Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen;
8Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.
5Neig Uw hemelen, HEERE! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken.
23Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweder; het zal blijven op het hoofd der goddelozen.
19Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd.
27Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;