Psalmen 148:8

Statenvertaling (States Bible)

Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 147:15-18 : 15 Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn woord loopt zeer snel. 16 Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit den rijm als as. 17 Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude? 18 Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien henen.
  • Jes 66:16 : 16 Want met vuur, en met Zijn zwaard zal de HEERE in het recht treden met alle vlees; en de verslagenen des HEEREN zullen vermenigvuldigd zijn.
  • Joël 2:30 : 30 En Ik zal wondertekenen geven in den hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookpilaren.
  • Am 4:13 : 13 Want zie, Die de bergen formeert, en den wind schept, en den mens bekend maakt, wat zijn gedachte zij, Die den dageraad duisternis maakt, en op de hoogten der aarde treedt, HEERE, God der heirscharen, is Zijn Naam.
  • Am 7:4 : 4 Wijders deed mij de Heere HEERE aldus zien; en ziet, de Heere HEERE riep uit, dat Hij wilde twisten met vuur; en het verteerde een groten afgrond, ook verteerde het een stuk lands.
  • Jona 1:4 : 4 Maar de HEERE wierp een groten wind op de zee; en er werd een grote storm in de zee, zodat het schip dacht te breken.
  • Matt 8:24-27 : 24 En ziet, er ontstond een grote onstuimigheid in de zee, alzo dat het schip van de golven bedekt werd; doch Hij sliep. 25 En Zijn discipelen, bij Hem komende, hebben Hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan! 26 En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen? Toen stond Hij op, en bestrafte de winden en de zee; en er werd grote stilte. 27 En de mensen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is Deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn!
  • Opb 16:8-9 : 8 En de vierde engel goot zijn fiool uit op de zon; en haar is macht gegeven de mensen te verhitten door vuur. 9 En de mensen werden verhit met grote hitte, en lasterden den Naam Gods, Die macht heeft over deze plagen; en zij bekeerden zich niet, om Hem heerlijkheid te geven.
  • Opb 16:21 : 21 En een grote hagel, elk als een talent pond zwaar, viel neder uit den hemel op de mensen; en de mensen lasterden God vanwege de plage des hagels; want deszelfs plage was zeer groot.
  • Gen 19:24 : 24 Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van den HEERE uit den hemel.
  • Ex 9:23-25 : 23 Toen strekte Mozes zijn staf naar den hemel; en de HEERE gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en de HEERE liet hagel regenen over Egypteland. 24 En er was hagel, en vuur in het midden des hagels vervangen; hij was zeer zwaar; desgelijks is in het ganse Egypteland nooit geweest, sedert het tot een volk geweest is. 25 En de hagel sloeg, in het ganse Egypteland, alles wat op het veld was, van de mensen af tot de beesten toe; ook sloeg de hagel al het kruid des velds, en verbrak al het geboomte des velds.
  • Ex 10:13 : 13 Toen strekte Mozes zijn staf over Egypteland, en de HEERE bracht een oostenwind in dat land, dien gehele dag en dien gansen nacht; het geschiedde des morgens, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht.
  • Ex 10:19 : 19 Toen keerde de HEERE een zeer sterken westenwind, die hief de sprinkhanen op, en wierp ze in de Schelfzee; er bleef niet een sprinkhaan over in al de landpalen van Egypte.
  • Ex 14:21 : 21 Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed de HEERE de zee weggaan, door een sterken oostenwind, dien gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd.
  • Lev 10:2 : 2 Toen ging een vuur uit van het aangezicht des HEEREN, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht des HEEREN.
  • Num 16:35 : 35 Daartoe ging een vuur uit van den HEERE, en verteerde die tweehonderd en vijftig mannen, die reukwerk offerden.
  • Joz 10:11 : 11 Het geschiedde nu, toen zij voor het aangezicht van Israel vluchtten, zijnde in den afgang van Beth-horon, zo wierp de HEERE grote stenen op hen van den hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die van de hagelstenen stierven, dan die de kinderen Israels met het zwaard doodden.
  • Job 37:2-6 : 2 Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat! 3 Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde. 4 Daarna brult Hij met de stem; Hij dondert met de stem Zijner hoogheid, en vertrekt die dingen niet, als Zijn stem zal gehoord worden. 5 God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet. 6 Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.
  • Job 38:22-37 : 22 Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien? 23 Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs! 24 Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde? 25 Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen? 26 Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is; 27 Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen. 28 Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen des dauws? 29 Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels? 30 Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat. 31 Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken? 32 Kunt gij de Mazzaroth voortbrengen op haar tijd, en den Wagen met zijn kinderen leiden? 33 Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen? 34 Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke? 35 Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij? 36 Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven? 37 Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?
  • Ps 18:12 : 12 Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.
  • Ps 103:20 : 20 Looft den HEERE, Zijn engelen! gij krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem Zijns woords.
  • Ps 107:25-29 : 25 Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft. 26 Zij rijzen op naar den hemel; zij dalen neder tot in de afgronden; hun ziel versmelt van angst. 27 Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hun wijsheid wordt verslonden. 28 Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, zo voerde Hij hen uit hun angsten. 29 Hij doet de storm stilstaan, zodat hun golven stilzwijgen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 148:9-10
    2 verzen
    82%

    9Gij bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen!

    10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!

  • Ps 18:12-13
    2 verzen
    81%

    12Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.

    13Van den glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen.

  • Ps 147:15-18
    4 verzen
    81%

    15Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn woord loopt zeer snel.

    16Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit den rijm als as.

    17Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude?

    18Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien henen.

  • Job 37:5-6
    2 verzen
    79%

    5God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet.

    6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.

  • 16Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

  • 7Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.

  • 13Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

  • 30En de HEERE zal Zijn heerlijke stem doen horen, en de nederlating Zijns arms doen zien, met grimmigheid van toorn, en een vlam van verterend vuur, stralen, en een vloed, en hagelstenen.

  • 8Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.

  • 25Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft.

  • 32Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land.

  • 7Looft den HEERE, van de aarde; gij walvissen en alle afgronden!

  • Ps 77:17-18
    2 verzen
    76%

    17De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd.

    18De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarhenen.

  • Nah 1:5-6
    2 verzen
    76%

    5De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten; en de aarde licht zich op voor Zijn aangezicht, en de wereld, en allen, die daarin wonen.

    6Wie zal voor Zijn gramschap staan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld.

  • Job 37:9-11
    3 verzen
    76%

    9Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.

    10Door zijn geblaas geeft God de vorst, zodat de brede wateren verstijfd worden.

    11Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.

  • Ps 83:14-15
    2 verzen
    75%

    14Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind.

    15Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt;

  • 48Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.

  • 14De HEERE donderde van den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem.

  • 7De stem des HEEREN houwt er vlammen vuurs uit.

  • 2 Sam 22:8-9
    2 verzen
    75%

    8Toen daverde en beefde de aarde; de fondamenten des hemels beroerden zich, en daverden, omdat Hij ontstoken was.

    9Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.

  • 4Zijn bliksemen verlichten de wereld; het aardrijk ziet ze en het beeft.

  • 8Die de hemelen met wolken bedekt, Die voor de aarde regen bereidt; Die het gras op de bergen doet uitspruiten;

  • 3Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde.

  • 22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!

  • 74%

    8Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.

  • 16En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des HEEREN, van het geblaas des winds van Zijn neus.

  • 8Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela.

  • 3Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.

  • 6Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn.

  • 7Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.

  • 13Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.

  • 15En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.

  • 26Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen;

  • 8Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.

  • 5Neig Uw hemelen, HEERE! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken.

  • 23Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweder; het zal blijven op het hoofd der goddelozen.

  • 19Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd.

  • 27Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;