Job 37:9

Statenvertaling (States Bible)

Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 9:9 : 9 Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;
  • Jes 21:1 : 1 De last der woestijn aan de zee. Gelijk de wervelwinden in het zuiden henen doorgaan, zal hij uit de woestijn komen, uit een vreselijk land.
  • Zach 9:14 : 14 En de HEERE zal over henlieden verschijnen, en Zijn pijlen zullen uitvaren als een bliksem; en de Heere HEERE zal met de bazuin blazen, en Hij zal voorttreden met stormen uit het zuiden.
  • Job 38:1 : 1 Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
  • Ps 104:3 : 3 Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 37:21-22
    2 verzen
    82%

    21En nu ziet men het licht niet als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert;

    22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!

  • 10Door zijn geblaas geeft God de vorst, zodat de brede wateren verstijfd worden.

  • 17Hoe uw klederen warm worden, als Hij de aarde stil maakt uit het zuiden?

  • 6Zij gaat naar het zuiden, en zij gaat om naar het noorden; de wind gaat steeds omgaande, en de wind keert weder tot zijn omgangen.

  • 8Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!

  • 1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:

  • 7Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.

  • Ps 147:16-18
    3 verzen
    74%

    16Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit den rijm als as.

    17Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude?

    18Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien henen.

  • Job 38:29-30
    2 verzen
    74%

    29Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels?

    30Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.

  • 26Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte;

  • 24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?

  • 19Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd.

  • 21De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats.

  • 23Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweder; het zal blijven op het hoofd der goddelozen.

  • 1De last der woestijn aan de zee. Gelijk de wervelwinden in het zuiden henen doorgaan, zal hij uit de woestijn komen, uit een vreselijk land.

  • 8En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.

  • 6Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!

  • 13Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

  • 16Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

  • 9Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;

  • 12Er zal Mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook oordelen tegen hen uitspreken.

  • 6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.

  • 9Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.

  • 8En Hij riep mij, en sprak tot mij, zeggende: Zie, deze, die uitgegaan zijn naar het Noorderland, hebben Mijn Geest doen rusten in het Noorderland.

  • 9Van den adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan.

  • 21Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.

  • 14En de HEERE zeide tot mij: Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners des lands.

  • 27Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt;

  • 8Met mate hebt Gij met hem getwist, wanneer Gij hem wegstiet; als Hij hem wegnam door Zijn harden wind, in den dag des oostenwinds.

  • 8Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela.

  • 4Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden des vuurs.

  • 6Hui, hui, vliedt toch uit het Noorderland, spreekt de HEERE; want Ik heb ulieden uitgebreid naar de vier winden des hemels, spreekt de HEERE.

  • 33Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp

  • 55En wanneer gij den zuidenwind ziet waaien, zo zegt gij: Er zal hitte zijn; en het geschiedt.

  • 17Ten tijde, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats.

  • 22Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?

  • 16En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des HEEREN, van het geblaas des winds van Zijn neus.

  • 8Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.

  • 9Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, als ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen.

  • 2Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!

  • 32Zo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, een kwaad gaat er uit van volk tot volk. en een groot onweder zal er verwekt worden van de zijden der aarde.

  • 23De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong.