Job 36:33
Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp
Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
32Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.
27Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;
28Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen.
29Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?
30Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.
16Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
2Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!
3Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde.
4Daarna brult Hij met de stem; Hij dondert met de stem Zijner hoogheid, en vertrekt die dingen niet, als Zijn stem zal gehoord worden.
5God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet.
6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.
13Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
35Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij?
18O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest.
11Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.
12Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.
21En nu ziet men het licht niet als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert;
22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!
8Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!
7Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.
18De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarhenen.
30En de HEERE zal Zijn heerlijke stem doen horen, en de nederlating Zijns arms doen zien, met grimmigheid van toorn, en een vlam van verterend vuur, stralen, en een vloed, en hagelstenen.
25Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard.
12Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.
48Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.
7Die de bergen vastzet door Zijn kracht, omgord zijnde met macht.
14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.
8En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.
9Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.
30En zij zullen tegen hetzelve te dien dage bruisen, als het bruisen der zee. Dan zal men de aarde aanzien, maar ziet, er zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden in hun verwoestingen.
10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!
24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?
32Dat de zee bruise met haar volheid, dat het veld huppele van vreugde, met al wat daarin is.
14Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan den donder Zijner mogendheden verstaan?
2Er is het geklap der zweep, en het geluid van het bulderen der raderen; en de paarden stampen, en de wagens springen op.
8Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.
9Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.
15Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?
16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?
17Hoe uw klederen warm worden, als Hij de aarde stil maakt uit het zuiden?
12En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een samenbinding der wateren, wolken des hemels.
26Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen;
7En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.
7De zee bruise met haar volheid, de wereld met degenen, die daarin wonen.
7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
20Ook schreeuwt elk beest des velds tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.
7Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.
20De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans.
20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.