Job 12:7

Statenvertaling (States Bible)

En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 21:29-30 : 29 Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaanden op den weg, en kent gij hun tekenen niet? 30 Dat de boze onttrokken wordt ten dage des verderfs; dat zij ten dage der verbolgenheden ontvoerd worden.
  • Spr 6:6 : 6 Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
  • Jes 1:3 : 3 Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israel heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.
  • Jer 8:7 : 7 Zelfs een ooievaar aan den hemel weet zijn gezette tijden, en een tortelduif, en kraan, en zwaluw, nemen den tijd hunner aankomst waar; maar Mijn volk weet het recht des HEEREN niet.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 8Of spreek tot de aarde, en zij zal het u leren; ook zullen het u de vissen der zee vertellen.

  • Job 35:11-12
    2 verzen
    82%

    11Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?

    12Daar roepen zij; maar Hij antwoordt niet, vanwege den hoogmoed der bozen.

  • 10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!

  • Ps 8:7-8
    2 verzen
    77%

    7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;

    8Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.

  • Job 5:22-23
    2 verzen
    73%

    22Tegen de verwoesting en tegen den honger zult gij lachen, en voor het gedierte der aarde zult gij niet vrezen.

    23Want met de stenen des velds zal uw verbond zijn, en het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn.

  • 7Want alle natuur, beide der wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en der zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de menselijke natuur.

  • 10Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?

  • 8En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.

  • 33Hij sprak ook van de bomen, van den cederboom af, die op den Libanon is, tot op den hysop, die aan den wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen.

  • 12Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.

  • 4Hoe lang zal het land treuren, en het kruid des gansen velds verdorren? Vanwege de boosheid dergenen, die daarin wonen, vergaan de beesten en het gevogelte; dewijl zij zeggen: Hij ziet ons einde niet.

  • 17De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enigen gevleugelden vogel, die door den hemel vliegt;

  • 46Dit is de wet van de beesten, en van het gevogelte, en van alle levende ziel, die zich roert in de wateren, en van alle ziel, die kruipt op de aarde;

  • 23Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.

  • 18O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest.

  • 6De tenten der verwoesters hebben rust, en die Gode tergen, hebben verzekerdheden, om hetgene God met Zijn hand toebrengt.

  • 24Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien, noch maaien, welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve; hoeveel gaat gij de vogelen te boven?

  • 9Al gij gedierten des velds, komt om te eten, ja, al gij gedierten in het woud!

  • 21Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.

  • 10De rechtvaardige kent het leven van zijn beest; maar de barmhartigheden der goddelozen zijn wreed.

  • 20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?

  • 7De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.

  • Job 38:39-40
    2 verzen
    69%

    39

    40

  • 16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.

  • 11Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.

  • 5Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?

  • 9Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.

  • 8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?

  • 3Daarom zal het land treuren, en een iegelijk, die daarin woont, kwelen, met het gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels; ja, ook de vissen der zee zullen weggeraapt worden.

  • 14En waarom zoudt Gij de mensen maken, als de vissen der zee, als het kruipend gedierte, dat geen heerser heeft?

  • 2En uw vrees, en uw verschrikking zij over al het gedierte der aarde, en over al het gevogelte des hemels; in al wat zich op den aardbodem roert, en in alle vissen der zee; zij zijn in uw hand overgegeven.

  • 12In hetwelk waren al de viervoetige dieren der aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels.

  • 26Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven?

  • 33Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?

  • 8Van het reine vee, en van het vee, dat niet rein was, en van het gevogelte, en al wat op den aardbodem kruipt,

  • 27Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.

  • 20Ook schreeuwt elk beest des velds tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.

  • 18Ik zeide in mijn hart van de positie der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.

  • 13Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?

  • 33Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp

  • 3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?

  • Job 39:1-2
    2 verzen
    69%

    1Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?

    2Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering?

  • 4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.

  • 14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.

  • 20En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels!