Job 39:1

Statenvertaling (States Bible)

Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 1 Sam 24:2 : 2 En het geschiedde, nadat Saul wedergekeerd was van achter de Filistijnen, zo gaf men hem te kennen, zeggende: Zie, David is in de woestijn van En-gedi.
  • Ps 29:9 : 9 De stem des HEEREN doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden; maar in Zijn tempel zegt Hem een iegelijk eer.
  • Ps 104:18 : 18 De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.
  • Jer 14:5 : 5 Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die, omdat er geen jong gras is.
  • Deut 14:5 : 5 Een hert, en een ree, en een buffel, en een steenbok, en een das, en een wilde os, en een gems.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 39:2-5
    4 verzen
    92%

    2Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering?

    3Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is?

    4Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?

    5Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?

  • 5Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die, omdat er geen jong gras is.

  • Job 38:38-41
    4 verzen
    74%

    38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?

    39

    40

    41

  • Job 38:20-22
    3 verzen
    73%

    20Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?

    21Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal.

    22Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?

  • 23Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.

  • Job 39:8-17
    10 verzen
    72%

    8Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?

    9Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.

    10Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.

    11Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.

    12Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?

    13Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?

    14Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?

    15Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?

    16Zijn an u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?

    17Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.

  • 18De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.

  • 5Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?

  • 24Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar den lust harer ziel schept zij den wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar zoeken, zullen niet moede worden, in haar maand zullen zij haar vinden.

  • 5Een hert, en een ree, en een buffel, en een steenbok, en een das, en een wilde os, en een gems.

  • 20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?

  • Job 38:32-33
    2 verzen
    70%

    32Kunt gij de Mazzaroth voortbrengen op haar tijd, en den Wagen met zijn kinderen leiden?

    33Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?

  • 10Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.

  • Job 39:19-20
    2 verzen
    69%

    19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.

    20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.

  • 18O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest.

  • 8Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen der schapen, en weid uw geiten bij de woningen der herderen.

  • Job 37:15-16
    2 verzen
    68%

    15Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?

    16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?

  • 9De stem des HEEREN doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden; maar in Zijn tempel zegt Hem een iegelijk eer.

  • 7En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.

  • 8En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.

  • 4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,

  • 4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.

  • Job 15:7-8
    2 verzen
    67%

    7Zijt gij de eerste een mens geboren? Of zijt gij voor de heuvelen voortgebracht?

    8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?

  • 67%

    7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;

  • Job 39:26-27
    2 verzen
    67%

    26Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.

    27Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.

  • 25Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden.

  • 5Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.

  • 11Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.