Psalmen 104:11

Statenvertaling (States Bible)

Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 39:5-8 : 5 Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren? 6 Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen? 7 Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve. 8 Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?
  • Ps 104:13 : 13 Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.
  • Ps 145:16 : 16 Pe. Gij doet Uw hand open, en verzadigt al wat er leeft, naar Uw welbehagen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 10Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.

  • Ps 104:12-14
    3 verzen
    75%

    12Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.

    13Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.

    14Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.

  • Jer 14:5-6
    2 verzen
    74%

    5Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die, omdat er geen jong gras is.

    6En de woudezels staan op de hoge plaatsen, zij scheppen den wind gelijk de draken; hun ogen versmachten, omdat er geen kruid is.

  • 20Ook schreeuwt elk beest des velds tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.

  • 5Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot spijs, en den jongeren.

  • 35Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten.

  • Job 39:5-6
    2 verzen
    73%

    5Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?

    6Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?

  • Ps 78:15-16
    2 verzen
    73%

    15Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden.

    16Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.

  • 20Het gedierte des velds zal Mij eren, de draken en de jonge struisen; want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven.

  • 5Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?

  • 9Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.

  • 20Welgelukzalig zijt gijlieden, die aan alle wateren zaait; gij, die den voet des osses en des ezels derwaarts henenzendt!

  • Jes 41:17-18
    2 verzen
    71%

    17De ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar er is geen, hun tong versmacht van dorst; Ik, de HEERE zal hen verhoren, Ik, de God Israels, zal hen niet verlaten.

    18Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden der valleien; Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten.

  • Jes 35:6-7
    2 verzen
    71%

    6Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong des stommen zal juichen; want in de woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis.

    7En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders der wateren; in de woningen der draken, waar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn.

  • 20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?

  • 33Hij stelt de rivieren tot een woestijn, en watertochten tot dorstig land.

  • Ps 104:27-28
    2 verzen
    70%

    27Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.

    28Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.

  • 21En: Zij hadden geen dorst, toen Hij hen leidde door de woeste plaatsen; Hij deed hun water uit den rotssteen vlieten; als Hij den rotssteen kliefde, zo vloeiden de wateren daarhenen.

  • 41Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier.

  • 8Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?

  • 12Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid.

  • 10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!

  • 18De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.

  • 69%

    7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;

  • 10Zij zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken; want hun Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal hen aan de springaders der wateren zachtjes leiden.

  • 17Want zo zegt de HEERE: Gijlieden zult geen wind zien, en gij zult geen regen zien; nochtans zal dit dal met water vervuld worden, zodat gij zult drinken, gij en uw vee, en uw beesten.

  • 10Die den regen geeft op de aarde, en water zendt op de straten;

  • 18O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest.

  • 15En Ik zal kruid geven op uw veld voor uw beesten; en gij zult eten en verzadigd worden.

  • 8Die den rotssteen veranderde in een watervloed, den keisteen in een waterfontein.

  • Ps 104:20-21
    2 verzen
    68%

    20Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:

    21De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.

  • 11Tussen hun muren persen zij olie uit, treden de wijnpersen, en zijn dorstig.

  • 24Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar den lust harer ziel schept zij den wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar zoeken, zullen niet moede worden, in haar maand zullen zij haar vinden.

  • 27Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.

  • 9Al gij gedierten des velds, komt om te eten, ja, al gij gedierten in het woud!

  • 7En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.

  • 10Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.

  • 5Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt.

  • 8De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.

  • 24En de ossen, en ezelveulens, die het land bouwen, zullen zuiver voeder eten, hetwelk verschud is met de werpschoffel en met de wan.

  • 8En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.