Psalmen 107:33
Hij stelt de rivieren tot een woestijn, en watertochten tot dorstig land.
Hij stelt de rivieren tot een woestijn, en watertochten tot dorstig land.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
34Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen.
35Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten.
36En Hij doet de hongerigen aldaar wonen, en zij stichten een stad ter woning;
15Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.
18Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden der valleien; Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten.
4Hij scheldt de zee, en maakt ze droog, en Hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel kwelen, ook kweelt de bloem van Libanon.
15Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden.
16Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.
5En zij zullen de wateren uit de zee doen vergaan, en de rivier zal verzijpen en verdrogen.
6Zij zullen ook de rivieren verre terugdrijven, zij zullen ze uithozen, en de gedamde stromen opdrogen; het riet en het schilf zullen verwelken.
7Het papiergewas bij de stromen, aan de oevers der stromen, en al het gezaaide aan de stromen, zal verdrogen; het zal weggestoten worden, en niet meer zijn.
41Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier.
40Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
10Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.
11Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.
15Ik zal bergen en heuvelen woest maken, en al hun gras zal Ik doen verdorren; en Ik zal de rivieren tot eilanden maken, en de poelen uitdrogen.
27Die tot de diepte zegt: Verdroog, en uw rivieren zal Ik verdrogen.
8Die den rotssteen veranderde in een watervloed, den keisteen in een waterfontein.
44En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken.
25Ik heb gegraven en de wateren gedronken; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.
6Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong des stommen zal juichen; want in de woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis.
7En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders der wateren; in de woningen der draken, waar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn.
12En Ik zal de rivieren tot droogte maken, en het land verkopen in de hand der bozen; en Ik zal het land met zijn volheid verwoesten door de hand der vreemden: Ik, de HEERE, heb het gesproken.
11De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort;
15Gij hebt een fontein en beek gekliefd; Gij hebt sterke rivieren uitgedroogd.
20Ook schreeuwt elk beest des velds tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.
24Ik heb gegraven en heb gedronken vreemde wateren; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.
10Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,
26Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is;
27Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.
4Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg.
13Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.
21En: Zij hadden geen dorst, toen Hij hen leidde door de woeste plaatsen; Hij deed hun water uit den rotssteen vlieten; als Hij den rotssteen kliefde, zo vloeiden de wateren daarhenen.
18Hij is licht op het vlakke der wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot den weg der wijngaarden.
15Want hij zal vrucht voortbrengen onder de broederen; doch er zal een oostenwind komen, een wind des HEEREN, opkomende uit de woestijn; en zijn springader zal uitdrogen, diezelve zal den schat van alle gewenste huisraad roven.
11Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.
29Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen.
9En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn.
38Droogte zal zijn over haar wateren, dat zij uitdrogen; want het is een land van gesneden beelden, en zij razen naar de schrikkelijke afgoden.
7Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten;
27Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;
16Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten;
6Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.
10Die den regen geeft op de aarde, en water zendt op de straten;
32En Hem verhogen in de gemeente des volks, en in het gestoelte der oudsten Hem roemen.
7Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.
18Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien henen.
8Toen zeide hij tot mij: Deze wateren vlieten uit naar het voorste Galilea, en dalen af in het vlakke veld; daarna komen zij in de zee; in de zee uitgebracht zijnde, zo worden de wateren gezond.
26De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.
1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.