Job 28:4
Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg.
Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om.
10In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke.
11Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.
11De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort;
16Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort;
15Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.
18Hij is licht op het vlakke der wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot den weg der wijngaarden.
19De droogte mitsgaders de hitte nemen de sneeuwwateren weg; alzo het graf dergenen, die gezondigd hebben.
24Ik heb gegraven en heb gedronken vreemde wateren; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.
18En voorwaar, een berg vallende vergaat, en een rots wordt versteld uit haar plaats;
19De wateren vermalen de stenen, het stof der aarde overstelpt het gewas, dat van zelf daaruit voortkomt; alzo verderft Gij de verwachting des mensen.
14Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan.
8En met een doorgaanden vloed zal Hij haar plaats te niet maken; en duisternis zal Zijn vijanden vervolgen.
15Gij hebt een fontein en beek gekliefd; Gij hebt sterke rivieren uitgedroogd.
5De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners.
5En zij zullen de wateren uit de zee doen vergaan, en de rivier zal verzijpen en verdrogen.
6Zij zullen ook de rivieren verre terugdrijven, zij zullen ze uithozen, en de gedamde stromen opdrogen; het riet en het schilf zullen verwelken.
25Ik heb gegraven en de wateren gedronken; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.
11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.
5Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware.
33Hij stelt de rivieren tot een woestijn, en watertochten tot dorstig land.
34Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen.
35Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten.
25Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?
26Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is;
4Hij scheldt de zee, en maakt ze droog, en Hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel kwelen, ook kweelt de bloem van Libanon.
20Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.
54Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden!
4Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn.
15En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?
16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?
3Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods.
8Die den rotssteen veranderde in een watervloed, den keisteen in een waterfontein.
2Ook werden de fonteinen des afgronds, en de sluizen des hemels gesloten, en de plasregen van den hemel werd opgehouden.
18En ulieder verbond met den dood zal te niet worden, en uw voorzichtig verdrag met de hel zal niet bestaan; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, dan zult gijlieden van denzelven vertreden worden.
15En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.
4De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.
10Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,
16Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten;
30Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.
21En: Zij hadden geen dorst, toen Hij hen leidde door de woeste plaatsen; Hij deed hun water uit den rotssteen vlieten; als Hij den rotssteen kliefde, zo vloeiden de wateren daarhenen.
10De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte.
16En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des HEEREN, van het geblaas des winds van Zijn neus.
8Zou het land hierover niet beroerd worden, en al wie daarin woont treuren? Ja, het zal geheel oprijzen als een rivier, en het zal heen en weder gedreven en verdronken worden, als door de rivier van Egypte.
16Want gij zult de moeite vergeten, en harer gedenken als der wateren, die voorbijgegaan zijn.
9Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.
7Wie is deze, die optrekt als een stroom, wiens wateren zich bewegen als de rivieren?
8Egypte trekt op als een stroom, en zijn wateren bewegen zich als de rivieren; en hij zegt: Ik zal optrekken, ik zal de aarde bedekken, ik zal de stad, en die daarin wonen, verderven.
27Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;
16Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.