Job 38:30

Statenvertaling (States Bible)

Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 37:10 : 10 Door zijn geblaas geeft God de vorst, zodat de brede wateren verstijfd worden.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 38:28-29
    2 verzen
    82%

    28Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen des dauws?

    29Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels?

  • Job 37:9-10
    2 verzen
    78%

    9Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.

    10Door zijn geblaas geeft God de vorst, zodat de brede wateren verstijfd worden.

  • Job 38:8-11
    4 verzen
    76%

    8Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?

    9Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;

    10Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;

    11En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.

  • 16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?

  • 6Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.

  • Spr 8:28-29
    2 verzen
    75%

    28Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;

    29Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;

  • Job 38:22-25
    4 verzen
    75%

    22Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?

    23Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs!

    24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?

    25Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?

  • Ps 147:17-18
    2 verzen
    74%

    17Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude?

    18Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien henen.

  • 7Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.

  • 16Die verdonkerd zijn van het ijs, en in dewelke de sneeuw zich verbergt.

  • 18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?

  • 34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?

  • 11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.

  • 31Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken?

  • 11Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.

  • Job 38:37-38
    2 verzen
    72%

    37Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?

    38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?

  • Job 41:31-32
    2 verzen
    72%

    31

    32

  • 8En door het geblaas van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden; de stromen hebben overeind gestaan, als een hoop; de afgronden zijn stof geworden in het hart der zee.

  • 10Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.

  • 2Ook werden de fonteinen des afgronds, en de sluizen des hemels gesloten, en de plasregen van den hemel werd opgehouden.

  • 20Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw.

  • 5De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen.

  • 30Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.

  • 8Die den rotssteen veranderde in een watervloed, den keisteen in een waterfontein.

  • 15En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.

  • 5De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners.

  • 4Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg.

  • 16En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des HEEREN, van het geblaas des winds van Zijn neus.

  • 15Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.

  • 8Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.

  • 16Gij hebt Uw volk door Uw arm verlost; de kinderen van Jakob en van Jozef. Sela.

  • 6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.

  • 8Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!

  • Job 38:13-14
    2 verzen
    69%

    13Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?

    14Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?

  • 9Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.

  • 19De droogte mitsgaders de hitte nemen de sneeuwwateren weg; alzo het graf dergenen, die gezondigd hebben.