Job 36:30
Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.
Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
31Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft spijze ten overvloede.
32Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.
29Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?
31
32
8Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.
9Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.
10Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.
3Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde.
11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.
8Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;
7Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.
11Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.
2Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.
3Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.
11Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.
12Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.
12Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.
24Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen.
25Als Hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate;
28Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;
29Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;
16En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des HEEREN, van het geblaas des winds van Zijn neus.
34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.
16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?
24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?
12En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een samenbinding der wateren, wolken des hemels.
3Is er een getal Zijner benden? En over wien staat Zijn licht niet op?
27Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;
18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?
24Die zien de werken des HEEREN, en Zijn wonderwerken in de diepte.
25Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft.
27Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze.
16Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
22Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduwe brengt Hij voort in het licht.
20Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw.
9Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee.
15Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?
19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?
3Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods.
11En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.
6Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.
7Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.
13Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
21En nu ziet men het licht niet als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert;
17En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.
30Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.
9Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;
11Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.