Job 38:9

Statenvertaling (States Bible)

Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Gen 1:2 : 2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 3Ik bekleed den hemel met zwartheid, en stel een zak tot zijn deksel.

  • 10Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;

  • 8Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?

  • 12En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een samenbinding der wateren, wolken des hemels.

  • Ps 18:11-12
    2 verzen
    78%

    11En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.

    12Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.

  • Job 26:8-10
    3 verzen
    75%

    8Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.

    9Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.

    10Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.

  • Spr 8:27-29
    3 verzen
    75%

    27Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef;

    28Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;

    29Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;

  • Ps 104:2-3
    2 verzen
    75%

    2Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.

    3Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.

  • 11Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.

  • 32Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.

  • 34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?

  • Job 38:37-38
    2 verzen
    73%

    37Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?

    38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?

  • Job 22:13-14
    2 verzen
    73%

    13Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?

    14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.

  • Job 37:15-18
    4 verzen
    73%

    15Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?

    16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?

    17Hoe uw klederen warm worden, als Hij de aarde stil maakt uit het zuiden?

    18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?

  • Job 36:29-30
    2 verzen
    72%

    29Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?

    30Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.

  • Ezech 32:7-8
    2 verzen
    72%

    7En als Ik u zal uitblussen, zal Ik den hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten.

    8Alle lichtende lichten aan den hemel, die zal Ik om uwentwil zwart maken; en Ik zal een duisternis over uw land maken, spreekt de Heere HEERE.

  • 19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?

  • Job 38:24-25
    2 verzen
    72%

    24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?

    25Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?

  • 26Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen;

  • 11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.

  • 9Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.

  • 4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.

  • Ps 139:11-12
    2 verzen
    71%

    11Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.

    12Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.

  • 14En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken;

  • Job 38:29-30
    2 verzen
    71%

    29Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels?

    30Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.

  • 2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?

  • 14Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?

  • 8Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;

  • 8Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.

  • 6Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.

  • Job 29:3-4
    2 verzen
    70%

    3Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde;

    4Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;

  • 10En Hij boog den hemel, en daalde neder; en donkerheid was onder Zijn voeten.

  • 16Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.