Job 38:37
Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?
Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
33Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?
34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
35Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij?
36Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?
15Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?
16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?
26Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; er is ook geen onderzoeking van het getal Zijner jaren.
27Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;
28Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen.
29Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?
38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?
24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?
25Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?
26Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is;
28Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen des dauws?
29Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels?
11Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.
8Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
4Wie is ten hemel opgeklommen, en nedergedaald? Wie heeft den wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet?
22Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?
5God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet.
6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.
20Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw.
12Wie heeft de wateren met Zijn vuist gemeten, en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met een drieling het stof der aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvelen in een weegschaal?
13Wie heeft den Geest des HEEREN bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?
7Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.
8Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?
9Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;
16Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
25Als Hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate;
3Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
32Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.
13Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?
14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.
13Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
31Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken?
11Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?
4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.
5Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?
8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?
19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?
13Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?
5Bemerk den hemel en zie; en aanschouw de bovenste wolken, zij zijn hoger dan gij.
28Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;
10Indien Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren?
20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?