Job 34:13
Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?
Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
22Zie, God verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar, gelijk Hij?
23Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?
24De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?
12Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.
13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
13Wie heeft den Geest des HEEREN bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?
29Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen?
4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.
5Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?
10Indien Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren?
33Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?
12Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?
3Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?
13Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?
17Zou hij ook, die het recht haat, den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer Rechtvaardige verdoemen?
4Wie is ten hemel opgeklommen, en nedergedaald? Wie heeft den wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet?
14Indien Hij Zijn hart tegen hem zette, zijn geest en zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen;
23Gewisselijk, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
18Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.
2Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?
31Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?
34Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
25Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?
17Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
18Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft.
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.
10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
11Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedende pot en ruimen ketel.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
13Maar is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren? Wat Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen.
4Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?
12Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.
12Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.
33
36Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?
37Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?
15Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.
17Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?
37Mem. Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt?
10Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!
4Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?
15Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand;
13Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken?
23Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet.
3O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?
3Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde.
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.