Job 21:31
Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?
Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
23Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?
30Dat de boze onttrokken wordt ten dage des verderfs; dat zij ten dage der verbolgenheden ontvoerd worden.
19Dat God Zijn geweld weglegt, voor Zijn kinderen, hem vergeldt, dat hij het gewaar wordt;
20Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid des Almachtigen!
21Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?
22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?
11Want naar het werk des mensen vergeldt Hij hem, en naar eens ieders weg doet Hij het hem vinden.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
2Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?
3Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
10En Hij vergeldt een ieder van hen, die Hem haten, in zijn aangezicht, om hem te verderven; Hij zal het Zijn hater niet vertrekken, in zijn aangezicht zal Hij het hem vergelden.
10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
11Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedende pot en ruimen ketel.
6Welke een iegelijk vergelden zal naar zijn werken;
35Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden?
2Nochtans is Hij ook wijs, en Hij doet het kwaad komen, en trekt Zijn woorden niet terug; maar Hij zal Zich opmaken tegen het huis der boosdoeners, en tegen de hulp dergenen, die ongerechtigheid werken.
32Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in den aardhoop.
29Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen?
14(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?
29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
27De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken.
29Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.
13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
6Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem?
7Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand?
4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
13Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?
21Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste.
21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.
33Zal het van u zijn, hoe Hij iets vergelden zal, dewijl gij Hem versmaadt? Zoudt gij dan verkiezen, en niet ik? Wat weet gij dan? Spreek.
31Ziet, den rechtvaardige wordt vergolden op de aarde, hoeveel te meer den goddeloze en zondaar!
4Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren.
12Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?
13Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken?
7De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.
24De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?
11Wee den goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding zijner handen zal hem geschieden.
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
18Den arbeid zal hij wedergeven en niet inslokken; naar het vermogen zijner verandering, zo zal hij van vreugde niet opspringen.
20Over zijn dag zullen de nakomelingen verbaasd zijn, en de ouden met schrik bevangen worden.
10Indien Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren?
16Hij heeft een kuil gedolven, en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft.
64Thau. HEERE! geef hun weder die vergelding, naar het werk hunner handen.
17Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
39Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.
13Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
13In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.
21Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden.