Job 41:13

Statenvertaling (States Bible)

In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 2 Kon 19:28 : 28 Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt.
  • Ps 32:9 : 9 Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.
  • Jak 3:3 : 3 Ziet, wij leggen den paarden tomen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede hun gehele lichaam om;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 41:14-15
    2 verzen
    83%

    14De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.

    15Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.

  • Job 41:10-12
    3 verzen
    78%

    10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.

    11Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedende pot en ruimen ketel.

    12Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.

  • Job 41:1-3
    3 verzen
    74%

    1Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?

    2Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.

    3Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.

  • Job 39:19-21
    3 verzen
    73%

    19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.

    20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.

    21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.

  • 7Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.

  • 31Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?

  • 3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.

  • 14Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan den donder Zijner mogendheden verstaan?

  • 12Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?

  • 19Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?

  • 13Maar is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren? Wat Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen.

  • Job 14:3-4
    2 verzen
    68%

    3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.

    4Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet een.

  • Job 40:9-10
    2 verzen
    68%

    9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.

    10Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund.

  • Job 38:2-3
    2 verzen
    68%

    2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?

    3Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.

  • 10Indien Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren?

  • 29Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen?

  • 13Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?

  • Job 9:3-4
    2 verzen
    68%

    3Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden.

    4Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?

  • 4Wie is ten hemel opgeklommen, en nedergedaald? Wie heeft den wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet?

  • 33

  • 24Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]

  • 11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?

  • Job 13:19-20
    2 verzen
    67%

    19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.

    20Alleenlijk doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen.

  • 23Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?

  • Job 41:21-22
    2 verzen
    67%

    21Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.

    22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.

  • 37Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?

  • 2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.

  • 9Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.

  • Job 39:10-11
    2 verzen
    67%

    10Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.

    11Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.

  • 1Wie is gelijk de wijze, en wie weet de uitlegging der dingen? De wijsheid der mensen verlicht zijn aangezicht, en de stuursheid zijns aangezichts wordt daardoor veranderd.

  • Job 41:18-19
    2 verzen
    67%

    18Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.

    19De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.

  • 7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?

  • 29Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?

  • 9Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.

  • 7Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!