Psalmen 32:9
Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.
Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.
2Want wij struikelen allen in vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in den toom te houden.
3Ziet, wij leggen den paarden tomen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede hun gehele lichaam om;
3Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en een roede voor den rug der zotten.
4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
17Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte.
18En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?
19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.
20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.
29Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt.
23Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.
30Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.
31Het paard wordt bereid tegen den dag des strijds; maar de overwinning is des HEEREN.
16Maar hij heeft de bestraffing zijner ongerechtigheid gehad; want het jukdragende stomme dier, sprekende met mensenstem, heeft des profeten dwaasheid verhinderd.
10Hij heeft geen lust aan de sterkte des paards; Hij heeft geen welgevallen aan de benen des mans.
28Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt.
12Dan zal een verstandeloos man kloekzinnig worden; hoewel de mens als het veulen eens woudezels geboren is.
16En gij zegt: Neen, maar op paarden zullen wij vlieden; daarom zult gij vlieden! En: Op snelle paarden zullen wij rijden; daarom zullen uw vervolgers ook snel zijn!
31Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.
32Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!
8Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?
25Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.
19Een knecht zal door de woorden niet getuchtigd worden; hoewel hij u verstaat, nochtans zal hij niet antwoorden.
30De ezelin nu zeide tot Bileam: Ben ik niet uw ezelin, op welke gij gereden hebt van toen af, dat gij mijn heer geweest zijt, tot op dezen dag? Ben ik ooit gewend geweest u alzo te doen? Hij dan zeide: Neen!
16Maar hij zal voor zich de paarden niet vermenigvuldigen, en het volk niet doen wederkeren naar Egypte, om paarden te vermenigvuldigen; terwijl de HEERE ulieden gezegd heeft: Gij zult voortaan niet wederkeren door dezen weg.
10Gij zult niet ploegen met een os en met een ezel te gelijk.
6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
4Een os zult gij niet muilbanden, als hij dorst.
2Want zo gij hen weigert te laten trekken, en gij hen nog met geweld ophoudt,
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun.
3Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israel heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.
28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
5Als gij loopt met de voetgangers, zo maken zij u moede; hoe zult gij u dan mengen met de paarden? Zo gij alleenlijk vertrouwt in een land van vrede, hoe zult gij het dan maken in de verheffing van de Jordaan?
5Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.
4Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhogen.
17Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
22Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.
1Wee dengenen, die in Egypte om hulp aftrekken, en steunen op paarden, en vertrouwen op wagenen, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en zien niet op den Heilige Israels, en zoeken den HEERE niet.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
10De rechtvaardige kent het leven van zijn beest; maar de barmhartigheden der goddelozen zijn wreed.
13In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.
31Uw os zal voor uw ogen geslacht worden, maar gij zult daarvan niet eten; uw ezel zal van voor uw aangezicht geroofd worden, en tot u niet wederkeren; uw klein vee zal aan uw vijanden gegeven worden, en voor u zal geen verlosser zijn.
24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
7En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.