Spreuken 21:30
Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.
Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
31Het paard wordt bereid tegen den dag des strijds; maar de overwinning is des HEEREN.
21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
10Beraadslaagt een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan; want God is met ons!
13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.
10De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken.
11Maar de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht.
30De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;
31Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.
29Zulks komt ook voort van den HEERE der heirscharen; Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad.
28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
16Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht;
17Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte.
22De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.
2Nochtans is Hij ook wijs, en Hij doet het kwaad komen, en trekt Zijn woorden niet terug; maar Hij zal Zich opmaken tegen het huis der boosdoeners, en tegen de hulp dergenen, die ongerechtigheid werken.
29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
14Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.
5Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.
10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
16Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
4Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
36Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?
37Mem. Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt?
19Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven: Hij vat de wijzen in hun arglistigheid;
20En wederom: De Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
6Want door wijze raadslagen zult gij voor u den krijg voeren, en in de veelheid der raadgevers is de overwinning.
33
33Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van den HEERE.
15Het kromme kan niet recht gemaakt worden; en hetgeen ontbreekt, kan niet geteld worden.
11Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt.
20HEERE, er is niemand gelijk Gij, en er is geen God behalve Gij, naar alles, wat wij met onze oren gehoord hebben.
24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
14Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
3Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan.
22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
9Wat denkt gijlieden tegen den HEERE? Hij zal zelf een voleinding maken; de benauwdheid zal niet tweemaal op rijzen.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
19De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn.
3Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
34Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
6En het zal geschieden, dat de vastigheid uwer tijden, de sterkte van uw behoudenissen zal zijn wijsheid en kennis; de vreze des HEEREN zal zijn schat zijn.
18Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen.
5Onze Heere is groot en van veel kracht; Zijns verstands is geen getal.
23Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
2De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:
15Wee dengenen, die zich diep versteken willen voor den HEERE, hun raad verbergende; en welker werken in duisterheid geschieden, en zij zeggen: Wie ziet ons, en wie kent ons?
28Want Ik zag toe, maar er was niemand, zelfs onder dezen, maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, en zij Mij antwoord geven zouden.