Spreuken 11:14
Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.
Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
22De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.
6Want door wijze raadslagen zult gij voor u den krijg voeren, en in de veelheid der raadgevers is de overwinning.
7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.
15Als iemand voor een vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker.
28In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek van volk is eens vorsten verstoring.
18Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot; maar welgelukzalig is hij, die de wet bewaart.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
3Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
18Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
30Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.
10Want indien zij vallen, de een richt zijn metgezel op; maar wee den ene, die gevallen is, want er is geen tweede om hem op te helpen.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
13Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak.
28Want Ik zag toe, maar er was niemand, zelfs onder dezen, maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, en zij Mij antwoord geven zouden.
20Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.
21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
34Als zij nu zullen vallen, zullen zij met een kleine hulp geholpen worden; doch velen zullen zich door vleierijen tot hen vervoegen.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
28Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen als loof.
19De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn.
14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
4Als er geen ossen zijn, zo is de krib rein; maar door de kracht van den os is der inkomsten veel.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
16Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht;
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
5De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.
22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
13Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden.
25De siddering des mensen legt een strik; maar die op den HEERE vertrouwt, zal in een hoog vertrek gesteld worden.
14Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
20Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.
32Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.
33Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.
2Om de overtreding des lands zijn deszelfs vorsten vele; maar om verstandige en wetende mensen zal insgelijks verlenging wezen.
14Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.
1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
17De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
7Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende,
10Beraadslaagt een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan; want God is met ons!
18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
16Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.