Spreuken 11:15

Statenvertaling (States Bible)

Als iemand voor een vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 17:18 : 18 Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.
  • Spr 20:16 : 16 Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed; en pand hem voor de onbekenden.
  • Spr 22:26-27 : 26 Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn. 27 Zo gij niet hadt om te betalen, waarom zou men uw bed van onder u wegnemen?
  • Spr 6:1-5 : 1 Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt; 2 Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds. 3 Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste. 4 Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering. 5 Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 1Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;

  • Spr 27:12-13
    2 verzen
    79%

    12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.

    13Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor een onbekende vrouw.

  • Spr 17:18-19
    2 verzen
    79%

    18Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.

    19Die het gekijf liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur verhoogt, zoekt verbreking.

  • Spr 22:25-27
    3 verzen
    78%

    25Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.

    26Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.

    27Zo gij niet hadt om te betalen, waarom zou men uw bed van onder u wegnemen?

  • 16Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed; en pand hem voor de onbekenden.

  • 14Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.

  • 3Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde.

  • 16Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden.

  • 17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.

  • Spr 29:24-25
    2 verzen
    72%

    24Die met een dief deelt, haat zijn ziel; hij hoort een vloek, en hij geeft het niet te kennen.

    25De siddering des mensen legt een strik; maar die op den HEERE vertrouwt, zal in een hoog vertrek gesteld worden.

  • 27Die gierigheid pleegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat, zal leven.

  • Spr 28:7-8
    2 verzen
    71%

    7Die de wet bewaart, is een verstandig zoon; maar die der vraten metgezel is, beschaamt zijn vader.

    8Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengene, die zich des armen ontfermt.

  • 20Een gans getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen.

  • 18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.

  • 14En wanneer iemand van zijn naaste wat begeert, en het wordt beschadigd, of het sterft; zijn heer daar niet bij zijnde, zal hij het volkomen wedergeven.

  • Spr 11:28-29
    2 verzen
    70%

    28Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen als loof.

    29Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is.

  • Pred 10:8-9
    2 verzen
    70%

    8Wie een kuil graaft, zal daarin vallen; en wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten.

    9Wie stenen wegdraagt, zal smart daardoor lijden; wie hout klieft, zal daardoor in gevaar zijn.

  • 17Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.

  • 1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.

  • 3Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.

  • 27Die den armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn ogen verbergt, zal veel vervloekt worden.

  • 15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.

  • 10Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;

  • 17Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.

  • 18De goddeloze is een rantsoen voor de rechtvaardigen, en de trouweloze voor de oprechten.

  • 16Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.

  • Ps 15:4-5
    2 verzen
    69%

    4In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen, die den HEERE vrezen; heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet;

    5Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.

  • 7Voorwaar, de onderdrukking zou wel een wijze dol maken; en het geschenk verderft het hart.

  • 22De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.

  • 9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.

  • 5Laat uw mond niet toe, dat hij uw vlees zou doen zondigen; en zeg niet voor het aangezicht des engels, dat het een dwaling was; waarom zou God grotelijks toornen, om uwer stemme wille, en verderven het werk uwer handen?

  • 21Lamed. De goddeloze ontleent en geeft niet weder; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft.

  • 27Die een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij wederkeren.

  • 22Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet, dat het gebrek hem overkomen zal.

  • 7De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht.

  • 3Een man, die de wijsheid bemint, verblijdt zijn vader; maar die een metgezel der hoeren is, brengt het goed door.

  • 20Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.