Spreuken 22:7
De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht.
De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.
17Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
8Die onrecht zaait, zal moeite maaien; en de roede zijner verbolgenheid zal een einde nemen.
25Indien gij Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult gij tegen hetzelve niet zijn, als een woekeraar; gij zult op hetzelve geen woeker leggen.
2En gelijk het volk, alzo zal de priester wezen; gelijk de knecht, alzo zijn heer; gelijk de dienstmaagd, alzo haar vrouw; gelijk de koper, alzo de verkoper; gelijk de lener, alzo de ontlener; gelijk de woekeraar, alzo die, van welken hij woeker ontvangt.
7De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
8Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen den stoel der ere doe beerven; want de grondvesten des aardrijks zijn des HEEREN, en Hij heeft de wereld daarop gezet.
8Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengene, die zich des armen ontfermt.
6Want de HEERE, uw God, zal u zegenen, gelijk als Hij tot u heeft gesproken, zo zult gij aan vele volken lenen; maar gij zult niet ontlenen; en gij zult over vele volken heersen; maar over u zullen zij niet heersen.
7Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed.
8Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet.
2Rijken en armen ontmoeten elkander; de HEERE heeft hen allen gemaakt.
21Lamed. De goddeloze ontleent en geeft niet weder; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft.
22Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.
6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
44Hij zal u lenen, maar gij zult hem niet lenen; hij zal tot een hoofd zijn, en gij zult tot een staart zijn.
23De arme spreekt smekingen; maar de rijke antwoordt harde dingen.
31Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.
15De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weder loopt.
16Een vorst, die van alle verstand gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen; maar die de gierigheid haat, zal de dagen verlengen.
3Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij.
11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
15Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring.
8Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukke.
24De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.
6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.
21Als men zijn knecht van jongs op weeldig houdt, hij zal in zijn laatste een zoon willen zijn.
2Een verstandig knecht zal heersen over een zoon, die beschaamd maakt, en in het midden der broederen zal hij erfenis delen.
12De HEERE zal u opendoen Zijn goeden schat, den hemel, om aan uw land regen te geven te zijner tijd, en om te zegenen al het werk uwer hand; en gij zult aan vele volken lenen, maar gij zult niet ontlenen.
26Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.
27Zo gij niet hadt om te betalen, waarom zou men uw bed van onder u wegnemen?
22Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet, dat het gebrek hem overkomen zal.
47Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijn goederen.
5En het volk zal gedrongen worden, de een zal zijn tegen den ander, en een iegelijk tegen zijn naaste; de jongeling zal stout zijn tegen den oude, de verachte tegen den eerlijke.
6Wanneer iemand zijn broeder uit het huis zijns vaders zal aangrijpen, zeggende: Gij hebt een kleed, wees ons ten overste, laat toch dezen aanstoot onder uw hand wezen;
20De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn vele.
4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.
22De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.
26Den gansen dag ontfermt hij zich, en leent; en zijn zaad is tot zegening.
7Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
22De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar het vermogen des zondaars is voor de rechtvaardige weggelegd.
23Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.
43Gij zult geen heerschappij over hem hebben met wreedheid; maar gij zult vrezen voor uw God.
53Als een dagloner zal hij van jaar tot jaar bij hem zijn; men zal over hem geen heerschappij hebben met wreedheid voor uw ogen.
37Uw geld zult gij hem niet op woeker geven, en gij zult uw spijze niet op overwinst geven.
27Die den armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn ogen verbergt, zal veel vervloekt worden.
12Doch indien hij een arm man is, zo zult gij met zijn pand niet nederliggen.
13Of de rijkdom zelf vergaat door een moeilijke bezigheid; en hij gewint een zoon, en er is niet met al in zijn hand.
22Beroof den arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel den ellendige niet in de poort.