Spreuken 18:23
De arme spreekt smekingen; maar de rijke antwoordt harde dingen.
De arme spreekt smekingen; maar de rijke antwoordt harde dingen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.
20De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn vele.
21Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.
4Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn vriend gescheiden.
11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
7Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed.
8Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet.
6Velen smeken het aangezicht des prinsen; en een ieder is een vriend desgenen, die giften geeft.
7Al de broeders des armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn vrienden verre van hem! Hij loopt hen na met woorden die niets zijn.
6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.
13Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen, en niet verhoord worden.
31Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.
7De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht.
3Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij.
15Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring.
8Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengene, die zich des armen ontfermt.
17Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
1De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.
2Rijken en armen ontmoeten elkander; de HEERE heeft hen allen gemaakt.
22De wens des mensen is zijn weldadigheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man.
5Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.
16Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.
6Maar gij hebt den armen oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u niet tot de rechterstoelen?
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
27Die den armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn ogen verbergt, zal veel vervloekt worden.
24Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.
22Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet, dat het gebrek hem overkomen zal.
23Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
22Beroof den arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel den ellendige niet in de poort.
7De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet.
16Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest.
3Ook zult gij den geringe niet voortrekken en zijn twistige zaak.
23Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.
9Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.
9Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood den armen gegeven.
28Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore.
22Die een vrouw gevonden heeft, heeft een goede zaak gevonden, en hij heeft welgevallen getrokken van den HEERE.
19Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.
4Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen versteken zich de ellendigen des lands.
16De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten.
13De arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de HEERE verlicht hun beider ogen.
7Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broederen, in een uwer poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder, die arm is;
6Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak.
16Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden.
11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.
3Maar de arme had gans niet dan een enig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had het gevoed, dat het groot geworden was bij hem, en bij zijn kinderen tegelijk; het at van zijn bete, en dronk van zijn beker, en sliep in zijn schoot, en het was hem als een dochter.
25Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?