Spreuken 19:4
Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn vriend gescheiden.
Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn vriend gescheiden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
20De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn vele.
21Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.
6Velen smeken het aangezicht des prinsen; en een ieder is een vriend desgenen, die giften geeft.
7Al de broeders des armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn vrienden verre van hem! Hij loopt hen na met woorden die niets zijn.
15Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring.
23De arme spreekt smekingen; maar de rijke antwoordt harde dingen.
24Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.
7Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed.
8Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet.
16Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.
11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.
8Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengene, die zich des armen ontfermt.
1De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.
2Rijken en armen ontmoeten elkander; de HEERE heeft hen allen gemaakt.
22Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet, dat het gebrek hem overkomen zal.
11Des rijken goed is de stad zijner sterkte, en als een verheven muur in zijn inbeelding.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
9En Ik zeg ulieden: Maakt uzelven vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.
10Verlaat uw vriend, noch den vriend uws vaders niet; en ga ten huize uws broeders niet op den dag van uw tegenspoed. Beter is een gebuur die nabij is, dan een broeder, die verre is.
27Die den armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn ogen verbergt, zal veel vervloekt worden.
4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.
19Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, zal met armoede verzadigd worden.
20Een gans getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen.
17Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.
18Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.
6Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen?
17Die blijdschap liefheeft, die zal gebrek lijden; die wijn en olie liefheeft, zal niet rijk worden.
22De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.
2Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld,
17Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
24Er is een, die uitstrooit, denwelken nog meer toegedaan wordt; en een, die meer inhoudt dan recht is, maar het is tot gebrek.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
14Gij zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen een buidel hebben.
23Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.
16De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten.
28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.
22De wens des mensen is zijn weldadigheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man.
9Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood den armen gegeven.
7De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
11Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.
16Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest.
31Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.
11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
13Of de rijkdom zelf vergaat door een moeilijke bezigheid; en hij gewint een zoon, en er is niet met al in zijn hand.
21Alzo is het met dien, die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God.
16Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
4Alleenlijk, omdat er geen bedelaar onder u zal zijn; want de HEERE zal u overloediglijk zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve zal geven, om hetzelve erfelijk te bezitten;