Spreuken 1:14
Gij zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen een buidel hebben.
Gij zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen een buidel hebben.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
10Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;
11Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak;
12Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen;
13Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
7Voorts zeiden zij, een ieder tot zijn metgezel: Komt, en laat ons loten werpen, opdat wij mogen weten, om wiens wil ons dit kwaad overkomt. Alzo wierpen zij loten, en het lot viel op Jona.
1Werp uw brood uit op het water, want gij zult het vinden na vele dagen.
14Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!
33Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van den HEERE.
5Daarom zult gij niemand hebben, die het snoer werpe in het lot, in de gemeente des HEEREN.
2Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld,
18Het lot doet de geschillen ophouden, en maakt scheiding tussen machtigen.
9Maar nu, dit is de zaak, die wij aan Gibea zullen doen: tegen haar bij het lot!
4Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn vriend gescheiden.
27Ook werpt gij u op een wees; en gij graaft tegen uw vriend.
24Wie zou toch ulieden in deze zaak horen? Want gelijk het deel dergenen is, die in den strijd mede afgetogen zijn, alzo zal ook het deel dergenen zijn, die bij het gereedschap gebleven zijn; zij zullen gelijkelijk delen.
27Maar den Leviet, die in uw poorten is, zult gij niet verlaten; want hij heeft geen deel noch erve met u.
4Laat ons kiezen voor ons, wat recht is; laat ons kennen onder ons wat goed is.
44En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen;
24Die met een dief deelt, haat zijn ziel; hij hoort een vloek, en hij geeft het niet te kennen.
13Gij zult geen tweeerlei weegstenen in uw zak hebben; een groten en een kleinen.
11Ten dage als gij tegenover stondt, ten dage als de uitlanders zijn heir gevangen voerden, en de vreemden tot zijn poorten introkken, en over Jeruzalem het lot wierpen, waart gij ook als een van hen.
10Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;
13Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen.
16Want al de rijkdom, welke God onze vader heeft ontrukt, die is onze, en van onze zonen; nu dan, doe alles, wat God tot u gezegd heeft.
33Verkoopt hetgeen gij hebt, en geeft aalmoes. Maakt uzelven buidels, die niet verouden, een schat, die niet afneemt, in de hemelen, daar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft.
34Want waar uw schat is, aldaar zal ook uw hart zijn.
17Hij zal ze bereiden, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver delen.
24Niemand zoeke dat zijns zelfs is; maar een iegelijk zoeke dat des anderen is.
19Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.
32En de menigte van degenen, die geloofden, was een hart en een ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen.
18Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
3Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde.
11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
25Zo maak het tot geld, en bindt het geld in uw hand, en gaat naar de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal;
7Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broederen, in een uwer poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder, die arm is;
21Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
18Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.
15Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.
24Dan zult gij het goud op het stof leggen, en het goud van Ofir bij den rotssteen der beken;
17Want Hij Zelf heeft voor hen het lot geworpen, en Zijn hand heeft het hun uitgedeeld met het richtsnoer; tot in der eeuwigheid zullen zij dat erfelijk bezitten, van geslacht tot geslacht zullen zij daarin wonen.
9Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang.
1Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
8En Abram zeide tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broeders.
32En het zal geschieden, als gij met ons zult gaan, en het goede geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.
1De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.
9Twee zijn beter dan een; want zij hebben een goede beloning van hun arbeid;
15Als iemand voor een vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker.
11Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.