Psalmen 55:14
Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!
Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.
13Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.
15Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.
1Een lied Hammaaloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.
2Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem!
8En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.
4Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht; omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?
1Een lied Hammaaloth, van David. Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen.
6Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaar.
7Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank Zijner voeten.
3Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn?
14Gij zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen een buidel hebben.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
5Komt, gij huis van Jakob, en laat ons wandelen in het licht des HEEREN.
20Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.
2Gij, die staat in het huis des HEEREN, in de voorhoven van het huis onzes Gods!
11Kom, mijn Liefste! laat ons uitgaan in het veld, laat ons vernachten op de dorpen.
3Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in den HEERE; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.
7Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel.
11Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak;
12Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen;
1Wees niet te snel met uw mond, en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in den hemel, en gij zijt op de aarde; daarom laat uw woorden weinig zijn.
17Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.
18Kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde.
4Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;
21Het is dan nodig, dat van de mannen, die met ons ongedaan hebben al den tijd, in welken de Heere Jezus onder ons ingegaan en uitgegaan is,
5Want alle volken zullen wandelen, elk in den naam zijns gods; maar wij zullen wandelen in den Naam des HEEREN, onzes Gods, eeuwiglijk en altoos.
15Nochtans zijn zij ons zeer goede mannen geweest; en wij hebben geen smaadheid geleden, en wij hebben niets gemist al de dagen, die wij met hen verkeerd hebben, toen wij op het veld waren.
16Zij zijn een muur om ons geweest, zo bij nacht als bij dag, al de dagen, die wij bij hen geweest zijn, weidende de schapen.
14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
14Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering!
4Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij.
24Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.
13Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,
4God is in haar paleizen; Hij is er bekend voor een Hoog Vertrek.
31Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.
10Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.
11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?
8Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
18Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij.
9Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel.
9Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden.
10Beraadslaagt een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan; want God is met ons!
11Toen zeide Jonathan tot David: Kom, laat ons toch uitgaan in het veld; en die beiden gingen uit in het veld.
1Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?
5Toen zeiden zij tot hem: Vraag toch God, dat wij mogen weten, of onze weg, op welken wij wandelen, voorspoedig zal zijn.
1Voor den opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach.
22De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.
15Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.
9Gelijk wij gehoord hadden, alzo hebben wij gezien in de stad des HEEREN der heirscharen, in de stad onzes Gods; God zal haar bevestigen tot in eeuwigheid. Sela.