Spreuken 5:14
Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering!
Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering!
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!
13En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars!
2Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.
3Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
5Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.
2Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan.
3Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
4Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.
5Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij.
13Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.
14Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.
15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
16Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;
17Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.
24Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
22Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.
23Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.
28Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.
21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
22Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.
17Ik heb in den raad der bespotters niet gezeten, noch ben van vreugde opgesprongen; vanwege Uw hand heb ik alleen gezeten, want Gij hebt mij met gramschap vervuld.
11Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd.
5Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.
67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
4En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.
5De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden.
15Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun klederen, en zwegen niet stil.
87Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
14Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!
22Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.
5Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgene rede openen op de harp.
2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
4Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;
11Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.
20Resch. Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.
2En die afwijken, verdiepen zich om te slachten; maar Ik zal hun allen een tuchtmeester zijn.
14He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.
14O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.
4Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht; omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?
158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
5Want baren des doods hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij.
6Banden der hel omringden mij; strikken des doods bejegenden mij.
21Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.
31Zekerlijk heeft hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal het niet verderven.
5Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.
29Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;
17Ik was verbolgen over de ongerechtigheid hunner gierigheid, en sloeg hen; Ik verborg Mij, en was verbolgen; evenwel gingen zij afkerig henen in den weg huns harten.
9Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.
2Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik.
6Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.