Psalmen 39:2
Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.
9Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen.
10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun.
3Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.
3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.
13En die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken den gansen dag listen.
14Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.
15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.
9De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond.
10De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
34Zeker, ik kon wel een grote menigte geweldiglijk onderdrukt hebben; maar de verachtste der huisgezinnen zou mij afgeschrikt hebben; zodat ik gewezen zou hebben, en ter deure niet uitgegaan zijn.
21Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
17Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.
9Dies zeide ik: Ik zal Zijner niet gedenken, en niet meer in Zijn Naam spreken; maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen; en ik bemoeide mij om te verdragen, maar konde niet.
28Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft.
13Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;
6Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?
2Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij.
3Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HEERE; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.
4Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.
8Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.
16Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;
27Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;
11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.
28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
40Ik ben geweest, dat mij bij dag de hitte verteerde, en bij nacht de vorst, en dat mijn slaap van mijn ogen week.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
24Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.
13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
28Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.
3Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
26Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.
5Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.
15En toen Hij deze woorden met mij sprak, sloeg ik mijn aangezicht ter aarde, en ik werd stom.
18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.
21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
22Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.
4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.
21Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.
17Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.
2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.
20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.
4Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?
1Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.
16Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil; zij antwoorden niet meer.
10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.