Job 32:16
Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil; zij antwoorden niet meer.
Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil; zij antwoorden niet meer.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
15Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet.
10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
11Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.
12Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;
21Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad.
22Na mijn woord spraken zij niet weder, en mijn rede drupte op hen.
23Want zij wachtten naar mij, gelijk naar den regen, en sperden hun mond open, als naar den spaden regen.
17Ik zal mijn deel ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
21Doch zij zwegen stil, en antwoordden hem niet een woord; want het gebod des konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden.
36Doch het volk zweeg stil en antwoordde hem niet een woord; want het gebod des konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden.
4Doch Elihu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.
5Als dan Elihu zag, dat er geen antwoord was in den mond van die drie mannen, ontstak zijn toorn.
9De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond.
10De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
42Zij zagen uit, maar er was geen verlosser; naar den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
16Hij stond, doch ik kende zijn gedaante niet; een beeltenis was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende:
13En die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken den gansen dag listen.
14Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.
3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.
20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
28Want Ik zag toe, maar er was niemand, zelfs onder dezen, maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, en zij Mij antwoord geven zouden.
41En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.
5Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!
16Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
17Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond.
27Ook zult gij al deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen naar u niet horen; gij zult wel tot hen roepen, maar zij zullen u niet antwoorden.
16Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem.
21En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd, dat hij zo lang vertoefde in den tempel.
20Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij.
5En Jezus heeft niet meer geantwoord, zodat Pilatus zich verwonderde.
1Maar Job antwoordde en zeide:
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
15Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.
16Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft.
12Daar roepen zij; maar Hij antwoordt niet, vanwege den hoogmoed der bozen.
28Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
6En zij konden Hem daarop niet weder antwoorden.
46En niemand kon Hem een woord antwoorden; noch iemand durfde Hem van dien dag aan iets meer vragen.
15En toen Hij deze woorden met mij sprak, sloeg ik mijn aangezicht ter aarde, en ik werd stom.
14Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
15Ziet, zij zeggen tot mij: Waar is het woord des HEEREN? Laat het nu komen!
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
7En de zieners zullen beschaamd, en de waarzeggers schaamrood worden; en zij zullen al te zamen de bovenste lip bewimpelen; want er zal geen antwoord Gods zijn.